Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 27-06-2023, ECLI:NL:GHARL:2023:5366, 200.321.113

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 27-06-2023, ECLI:NL:GHARL:2023:5366, 200.321.113

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
27 juni 2023
Datum publicatie
14 juli 2023
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2023:5366
Zaaknummer
200.321.113

Inhoudsindicatie

Ontbinding deel ouderschapsplan. Kindrekening.

Uitspraak

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.321.113

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 542322)

beschikking van 27 juni 2023

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats1] ,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. P.J. van de Pol te Haarlem,

en

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats1] ,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de man.

1 De procedure in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 13 oktober 2022, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. Verder ook te noemen: de bestreden beschikking.

2 De procedure in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-

het beroepschrift met producties, ingekomen op 6 januari 2023;

-

een journaalbericht van mr. Van de Pol van 20 maart 2023 met producties.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 18 april 2023 plaatsgevonden.

Daarbij waren aanwezig:

-de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

-de man.

3 De feiten

3.1

De man en de vrouw zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2009 te [woonplaats1] . De ouders hebben samen het gezag over [de minderjarige] . [de minderjarige] heeft haar hoofdverblijf bij de vrouw.

3.2

De ouders hebben in 2016 een ouderschapsplan opgesteld. Daarin hebben zij afspraken gemaakt over [de minderjarige] , waaronder financiële afspraken met betrekking tot de kosten van [de minderjarige] . Voor zover hier van belang zijn de ouders daarover het volgende overeengekomen:

“8. Financiën

Kosten [de minderjarige]

De afspraken die zijn gemaakt over de verdeling van de kosten van [de minderjarige] zijn zoveel mogelijk gebaseerd op een draagkrachtberekening conform het rapport Alimentatienormen. Uit de berekening blijkt dat [de minderjarige] een behoefte aan kinderalimentatie heeft van € 604,- per maand excl. de kinderbijslag van € 80,- per maand en de kinderopvangtoeslag. Dat bedrag is gebaseerd op een netto gezinsinkomen van € 3.967,- per maand.

De ouders hebben in onderling overleg afgesproken dat de vader maandelijks € 321,- en de moeder € 284,- bijdraagt in de kosten van [de minderjarige] .

Kinderrekening

De ouders zullen gebruik maken van een kinderrekening. Zij hebben allebei een budget voor de kosten van [de minderjarige] bestaande uit draagkracht en de kinderbijslag. Met het kindgebonden budget is rekening gehouden in de draagkracht van de moeder. De ouders zijn overeengekomen dat conform de tremaberekening de kosten voor de eigen huishouding

€ 171,- bedraagt. (....)

De moeder zal de kinderbijslag naar de kinderrekening overmaken. De vader stort een bedrag van € 150,- op de kinderrekening, en de moeder een bedrag van € 113,-. Elke maand wordt dus een bedrag van € 343,- + kinderopvangtoeslag bijgeschreven op de rekening.

Van de kinderrekening worden de volgende zaken betaald: school, kinderopvang, sport, muziek, abonnementen, hobby, kleding en fietsen. Bedragen boven de € 100,- worden alleen in gezamenlijk overleg uitgegeven. Beide ouders hebben toegang tot en inzicht in de kinderrekening.

Bovenstaande regeling is een verplichting van de ene ouder jegens de andere ouder om de andere ouder in staat te stellen [de minderjarige] in het levensonderhoud te voorzien, waarbij de betaling via de kinderrekening verloopt. ”

3.3

Bij beschikking van 11 juni 2019 heeft de rechtbank het verzoek van de vrouw om te bepalen dat de man met ingang van 1 februari 2018 een bedrag van € 250,- per maand aan haar zal betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] , afgewezen.

3.4

Bij beschikking van 12 maart 2021 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, bepaald dat de vrouw de financiële afspraken van partijen ten aanzien van [de minderjarige] , inhoudende dat zij de kinderbijslag alsmede iedere maand € 113,- zal storten op de kinderrekening (met nummer [nummer1] ), moet nakomen en bepaald dat de vrouw een dwangsom aan de man moet betalen van € 500,- per dag dat zij niet aan het voorgaande voldoet.

3.5

Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank op 20 juli 2022, heeft de vrouw onder meer, voor zover hier van belang, verzocht het ouderschapsplan te wijzigen in die zin dat de gezamenlijke kinderrekening ten behoeve van [de minderjarige] wordt opgeheven en het saldo wordt verdeeld naar rato conform het voorstel van de moeder uit productie 50 in eerste aanleg.

4. Het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover hiervan belang, het verzoek van de moeder tot opheffing van de gezamenlijke kinderrekening afgewezen.

4.2

De vrouw is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van

13 oktober 2022. De vrouw verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende te bepalen dat artikel 8 van het ouderschapsplan waar het gaat om de afspraak van de kinderrekening wordt gewijzigd in die zin dat zij, de vrouw, wordt ontslagen van de verplichting om maandelijks te moeten inleggen op de kinderrekening en dat haar voorstel tot het verdelen van de kostenposten conform haar voorstel zal worden toegewezen.

4.3

De man heeft tijdens de mondelinge behandeling verweer gevoerd.

5 De overwegingen voor de beslissing

6 De slotsom

7 De beslissing