Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 24-01-2023, ECLI:NL:GHARL:2023:687, 200.299.243/01

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 24-01-2023, ECLI:NL:GHARL:2023:687, 200.299.243/01

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24 januari 2023
Datum publicatie
26 januari 2023
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2023:687
Zaaknummer
200.299.243/01

Inhoudsindicatie

Particuliere borgtocht voor een geldlening. Elektronische handtekening.

Particuliere borg betwist dat de elektronische handtekening onder de borgstelling van haar afkomstig is.

Hof komt tot het oordeel dat de handtekening van de borg afkomstig is, dat de door de geldverstrekker gehanteerde methode voor elektronische ondertekening ook voldoende betrouwbaar is en dat de elektronisch tot stand gekomen borgtocht daarmee heeft te gelden als een “ondertekend geschrift” in de zin van artikel 7:859 BW.

Het beroep op vernietiging van de borgtocht door de echtgenoot wordt verworpen, omdat uit vergelijking van verschillende elektronische handtekeningen die onder verschillende documenten in deze zaak kan worden geconcludeerd dat de echtgenoot heeft meegetekend op de borgstelling en daar dus kennis van heeft gehad.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden, afdeling civiel

zaaknummer gerechtshof 200.299.243/01

zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere 8552732

arrest van 24 januari 2023

in de zaak van

OPR-Finance B.V.

die is gevestigd in Amsterdam

die hoger beroep heeft ingesteld

en bij de kantonrechter optrad als eiseres

hierna OPR te noemen

vertegenwoordigd door mr. M. Bitter

tegen

Bilanciobudget B.V. in haar hoedanigheid van bewindvoerder over het vermogen van [naam1]

die is gevestigd in Putten

en bij de kantonrechter optrad als gedaagde

hierna de bewindvoerder te noemenen [naam1] hierna te noemen: [naam1]

vertegenwoordigd door mr. J.P.J. Botterblom.

1 Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1

OPR heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, op 25 november 2020 (zoals verbeterd bij vonnis van 13 januari 2021) tussen partijen heeft uitgesproken. Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit:

-

de dagvaarding in hoger beroep 25 februari 2021

-

het herstelexploit van 11 maart 2021

-

het herstelexploit van 12 mei 2021

-

de memorie van grieven van 23 november 2021

-

de akte, houdende het verzoek van de bewindvoerder tot schorsing van de zaak op de voet van artikel 225 Rv

-

de antwoordakte van OPR

-

de beslissing van de rolrechter tot afwijzing van het verzoek

-

de memorie van antwoord

-

de akte uitlating producties van OPR

-

het tussenarrest van 24 mei 2022 waarin een mondelinge behandeling is bepaald

-

de akte van OPR tot overlegging van nog een productie (prod. 27)

-

het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 5 december 2022 is gehouden.

1.2

Na een aanhouding voor nader beraad heeft de bewindvoerder verzocht om arrest.

2 De kern van de zaak en de beslissingen

2.1

Centraal staat de vraag of [naam1] zich rechtsgeldig borg heeft gesteld voor een tweetal geldleningen die OPR heeft verstrekt aan het bedrijf Harderwijk Occasion Center (hierna: HOC), waarvan [naam1] (indirect) bestuurder was. Twee particuliere borgtochten voor die leningen zijn op haar naam elektronisch ondertekend. OPR heeft [naam1] aangesproken uit die borgtochten, nadat HOC in gebreke was gebleven met de nakoming van haar betalingsverplichtingen uit de geldleningsovereenkomsten. [naam1] ontkent dat zij de borgtochten is aangegaan en (elektronisch) heeft ondertekend.

2.2

OPR heeft bij de kantonrechter gevorderd dat [naam1] en haar medeborg de heer [naam2] (stiefschoonvader van [naam1] ) hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling op grond van de borgtochten. OPR heeft haar vordering daarbij in hoofdsom beperkt tot€ 25.000,-, te vermeerderen met 13,9% contractuele rente en de proceskosten.

2.3

De kantonrechter heeft de vorderingen afgewezen. Volgens de kantonrechter kan de door OPR gevolgde methode van elektronische ondertekening niet als voldoende betrouwbaar worden aangemerkt. Daarmee leveren de borgtochten op naam van [naam1] en [naam2] niet het dwingende bewijs op dat die door hen zijn aangegaan. Omdat een particuliere borgtocht tegenover de borg slechts kan worden bewezen door een (elektronisch) ondertekend geschrift en die ondertekening ontbreekt, is niet komen vast te staan dat tussen OPR en [naam1] / [naam2] overeenkomsten van borgtocht tot stand zijn gekomen, aldus de kantonrechter.

2.4

OPR heeft haar hoger beroep beperkt tot haar vordering tegen [naam1] . Een door OPR ingesteld hoger beroep tegen de afwijzing van haar vordering tegen [naam2] heeft zij niet doorgezet. Met het hoger beroep beoogt zij dat het vonnis van de kantonrechter wordt vernietigd en dat haar (gewijzigde) vordering in hoger beroep tegen de bewindvoerder wordt toegewezen.

Het hof komt tot het oordeel dat [naam1] de borgtochten wel rechtsgeldig (elektronisch) heeft ondertekend en dat de vordering van OPR tegen haar bewindvoerder ook toegewezen dient te worden. Hoe en waarom het hof daartoe komt, wordt hierna uiteengezet, waarbij eerst het feitelijk kader van deze zaak zal worden geschetst.

3 3. De feiten

3.1

OPR is een bedrijf dat is gespecialiseerd in het verstrekken van kortetermijnkredieten. HOC was een bedrijf dat zich richtte op de handel in tweedehands auto’s. Het bedrijf is in september 2016 opgericht, met [naam2] als enig aandeelhouder en [naam1] als (indirect) bestuurder. Binnen het bedrijf was ook werkzaam de heer [naam3] , de echtgenoot van [naam1] en de stiefzoon van [naam2] .

3.2

OPR heeft op 10 mei 2017 en op 15 december 2017 leningsovereenkomsten met HOC gesloten, telkens voor een bedrag van € 50.000,-. Vermeerderd met € 14.992,- aan transactie- en administratiekosten bedroeg het door HOC af te lossen bedrag in hoofdsom telkens € 64.992,-. Voor tekortkomingen in de nakoming van de betalingsverplichtingen was contractueel een boeterente bepaald van 13,9%. De beide overeenkomsten zijn door HOC elektronisch ondertekend.

3.3

OPR verlangde voor elke lening dat twee personen zich borg zouden stellen. Voor de geldlening van 10 mei 2017 is door OPR een borgtocht op naam van [naam1] overgelegd gedateerd 10 mei 2017. Voor de geldlening van 15 december 2017 zijn borgtochten op naam van [naam1] en [naam2] overgelegd, beide gedateerd op 15 december 2017. Ook die zijn allemaal elektronisch ondertekend. In de beide borgtochten op naam van [naam1] is telkens vermeld dat [naam2] haar echtgenoot is. Die borgtochten zijn ook telkens elektronisch ondertekend door “de echtgeno(o)t(e) of geregistreerd partner”.3.4 Vanaf februari 2018 is HOC haar betalingsverplichtingen uit de overeenkomsten van geldlening niet langer nagekomen. Op 17 januari 2019 is zij gesommeerd tot betaling binnen veertien dagen van het nog openstaande bedrag van in hoofdsom € 73.325,34. Aan die sommatie heeft zij geen gevolg gegeven. In december 2019 is HOC failliet verklaard.

3.5

Bij brieven van 10 januari 2020 zijn [naam2] en [naam1] door de deurwaarder namens OPR in kennis gesteld van het verzuim van HOC en uit die borgtochten aangesproken tot betaling van € 85.147,08, indien HOC niet binnen 15 werkdagen alsnog zou betalen. Op 25 mei 2020 heeft OPR haar inleidende dagvaardingen jegens [naam2] en [naam1] uitgebracht.

3.6

[naam3] heeft in een brief van 13 juli 2020 de volgens OPR door [naam1] gestelde borgtochten vernietigd. [naam3] schrijft in dat verband aan OPR: “Ik was daarvan [hof: van de borgtocht] niet op de hoogte en heb met het aangaan van de borgtochtovereenkomst ook niet ingestemd.”

3.7

Bij beschikking van 12 augustus 2021 is door de kantonrechter op eigen verzoek van [naam1] een bewind ingesteld over haar goederen op de grond dat “voldoende aannemelijk [is] geworden dat de verzoeker als gevolg van haar lichamelijke of geestelijke toestand (tijdelijk of duurzaam) niet in staat is ten volle haar vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen”, met benoeming van een bewindvoerder. Na een wijziging van bewindvoerder is sinds 12 oktober 2021 Bilanciobudget B.V. de huidige bewindvoerder van [naam1] . De bewindvoerder heeft in die hoedanigheid de rol van [naam1] als procespartij overgenomen.

4 Het oordeel van het hof

5 De beslissing