Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 05-09-2023, ECLI:NL:GHARL:2023:7447, 200.313.992/01

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 05-09-2023, ECLI:NL:GHARL:2023:7447, 200.313.992/01

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
5 september 2023
Datum publicatie
7 september 2023
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2023:7447
Zaaknummer
200.313.992/01

Inhoudsindicatie

De toenmalige gemeente Skarsterlân (rechtsvoorgangster van de gemeente) heeft in 2001 een aantal percelen grond gekocht die zijn gelegen ten noorden en ten oosten van een zandwinput in de omgeving van Oudehaske. Deze percelen zijn in 2005 aan deze gemeente in eigendom overgedragen. Volgens de Stichting had zij ten aanzien van deze percelen een koopoptie/recht van koop en heeft de gemeente jegens haar onrechtmatig gehandeld door ondanks dit recht de percelen te kopen en in eigendom geleverd te krijgen. Het hof wijst de vorderingen van de Stichting - te verklaren voor recht dat de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld door de verwerving van de percelen grond en dat de gemeente gehouden is de schade die een gevolg daarvan is te vergoeden - af. Volgens het hof heeft de Stichting niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de koopoptie/het recht van koop waarop haar vorderingen zijn gebaseerd door haar rechtsvoorgangster Stichting Het Fries Landschap rechtsgeldig aan haar is overgedragen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.313.992/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 176751)

arrest van 5 september 2023

in de zaak van

Stichting de Blije Hengelaar,

die is gevestigd in Oudehaske,

die hoger beroep heeft ingesteld,

bij de rechtbank: eiseres,

hierna: de Stichting,

advocaat: mr. P.S. van Zandbergen, die kantoor houdt te Drachten,

tegen

De gemeente De Fryske Marren,

die is gevestigd in Joure,

bij de rechtbank: gedaagde,

hierna: de gemeente,

advocaat: mr. B.J. van Popta, die kantoor houdt te Heerenveen.

1 Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1

De Blije Hengelaar heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 2 februari 2022, locatie Leeuwarden. Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit:

-

de dagvaarding in hoger beroep

-

de memorie van grieven met producties

-

de memorie van antwoord met producties

-

de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep

-

het tussenarrest van 7 maart 2023

1.2

Naar aanleiding van het tussenarrest van 7 maart 2023 heeft op 17 juli 2023 een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Partijen hebben het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen.

2 De kern van de zaak en de beslissing van het hof in het kort

2.1

De toenmalige gemeente Skarsterlân (rechtsvoorgangster van de gemeente) heeft in 2001 van De Vries Joure (DVJ) een aantal percelen grond gekocht die zijn gelegen ten noorden en ten oosten van een zandwinput in de omgeving van Oudehaske. Deze percelen zijn in 2005 aan deze gemeente in eigendom overgedragen. Volgens de Stichting had zij ten aanzien van deze percelen een koopoptie/recht van koop jegens DVJ en heeft de gemeente jegens haar onrechtmatig gehandeld door ondanks dit recht van de Stichting de percelen te kopen en in eigendom geleverd te krijgen.

2.2

De rechtbank heeft de vorderingen die de Stichting daarover heeft ingesteld - te verklaren voor recht dat de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld door de verwerving van de percelen grond van DVJ en dat de gemeente gehouden is de schade die een gevolg daarvan is te vergoeden - afgewezen, met veroordeling van de Stichting in de proceskosten van de gemeente. De bedoeling van het hoger beroep van de Stichting is dat de afgewezen vorderingen alsnog worden toegewezen en dat de gemeente in de proceskosten van de Stichting voor de procedures bij de rechtbank en het hof wordt veroordeeld.

2.3

Het hof zal ook in hoger beroep de vorderingen afwijzen en het bestreden vonnis van de rechtbank in stand laten (bekrachtigen), kort gezegd omdat de Stichting niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de koopoptie/het recht van koop waarop haar vorderingen zijn gebaseerd door haar rechtsvoorgangster – Stichting Het Fries Landschap – rechtsgeldig aan haar is overgedragen. Het hof zal de Stichting in de proceskosten van de gemeente in hoger beroep veroordelen. Het hof zal zijn beslissingen hierna uitvoeriger motiveren, nadat het hof eerst de voor de beslissingen van belang zijnde feiten heeft weergegeven.

3 De feiten

3.1

De heer [naam1] (hierna: [naam1] ) is bestuurder van de Stichting. [naam1] heeft op 27 juli 1988 de zandwinput te Oudehaske, destijds kadastraal bekend gemeente Nijehaske, sectie K, nr. 362 (hierna: de zandwinput), gekocht van De Vries Vuilstort Ouwsterhaule B.V. (hierna: De Vries Vuilstort). In de van die verkoop opgemaakte transportakte (zoals vermeld in de hierna te noemen notariële akte van 9 juni 1992) staat onder meer geschreven dat:

- De Vries Vuilstort na verkoop aan [naam1] het recht op ontgronding behoudt,

- [naam1] het recht van eerste koop (voorkeursrecht) heeft van de oostelijk gelegen

percelen tegen een door De Vries Vuilstort verlangde prijs zodra De Vries Vuilstort de eigendom heeft verworven van de gronden aan de oostelijke en noordelijke zijde van de zandwinput,

- De Vries Vuilstort voor het noordelijk gelegen perceel - zodra De Vries Vuilstort met zandwinning is aangevangen - aan [naam1] een zodanig perceel (om niet) dient over te dragen dat [naam1] een voldoende brede strook grond in eigendom verkrijgt om alle voor hem noodzakelijke werkzaamheden aan en rondom de waterplas vanaf eigen grond te kunnen verrichten.

3.2

Bij notariële akte van 9 juni 1992 is vervolgens, na overdracht van de betreffende rechten van De Vries Vuilstort aan De Vries Joure Holding B.V. (hierna: DVJ), tussen [naam1] (tezamen met zijn toenmalige bewindvoerder) en de heer [naam2] , algemeen directeur van DVJ (hierna: [naam2] ), ten aanzien van voornoemde rechten van [naam1] overeengekomen dat:

- het voorkeursrecht van koop (van het oostelijke deel) van [naam1] geheel komt te vervallen,

- de overdracht van de percelen/stroken van het genoemde noordelijke perceel niet zal geschieden,

- DVJ aan [naam1] de gelegenheid zal geven biezen te telen langs de oevers van de zandwinningsput indien en zolang dat een nog van overheidswege te wijzigen bestemming van de zandwinput niet in de weg staat,

- DVJ aan [naam1] een eenmalige vergoeding zal betalen voor het verval van de rechten van [naam1] .

3.3

Bij notariële akte van 17 december 1993 heeft [naam1] de zandwinput aan DVJ verkocht voor een bedrag van fl. 215.000,00. In die akte heeft DVJ een koopoptie verstrekt aan de Stichting Het Fries Landschap (hierna te noemen: Het Fries Landschap), waarvan [naam1] destijds bestuurder was. De koopoptie luidt als volgt:

"Zodra alle ontzandingswerkzaamheden in de put op voornoemd perceel 362 en de ten oosten en ten noorden daarvan gelegen percelen definitief ten einde zijn gekomen, dient De Vries (hof: DVJ) het hiervoor aan haar geleverde (dus zonder in begrip van die belendende percelen), waar dan nog steeds een waterplas aanwezig moet zijn, aan de Stichting (hof: Het Fries Landschap) te koop aan te bieden voor de prijs van een honderd duizend gulden (f. 100.000,=) kosten koper. (...)."

Daarnaast staat in de akte vermeld dat zolang in de zandwinput en de oostelijk en noordelijk daarvan gelegen percelen zand wordt gewonnen - en Het Fries Landschap daardoor voornoemde koopoptie niet heeft kunnen uitoefenen - aan Het Fries Landschap het exclusieve recht toekomt om te jagen en te vissen op perceel 362 (het perceel van de zandwinput), alsmede om te vissen in de percelen ten oosten en noorden daarvan. Ook staat in de akte vermeld dat aan Het Fries Landschap het exclusieve recht toekomt om langs de oevers van de waterplas biezen te telen en om op en langs de gehele waterplas te jagen. Aan Het Fries Landschap is voorts de bevoegdheid verleend om aan derden het recht tot medegebruik van voornoemde exclusieve rechten te verlenen, waarbij is bepaald dat dit niet tot gevolg kan hebben dat er rechtsbetrekkingen tussen DVJ en deze derden ontstaan.

3.4

In een advies van 2 april 1997 aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Skarsterlân, de rechtsvoorgangster van de gemeente, heeft de heer [naam3] (hierna: [naam3] ), ambtenaar van de afdeling ontwikkeling, geschreven:

"N.a.v. uw college-beslissing van 11 februari 1997:

(...)

- heeft in aanwezigheid van weth. [naam4] met [naam2] een gesprek plaatsgehad over een mogelijke verwerving door de gemeente van het toekomstige natuurgebied tegen een symbolische prijs. Uit dat gesprek is gebleken dat een verwerving door de gemeente er niet in zit omdat De Vries [rechtbank: DVJ] contractueel verplicht is om de ten oosten en ten noorden van de put gelegen percelen na zandwinning eerst aan te bieden aan de Stichting Het Fries Landschap (zie kopie akte)."

3.5

In een brief van 9 juni 1997 heeft [naam2] namens DVJ aan de leden van de commissie wonen en werken van de gemeente Skarsterlân geschreven:

"(...)

Voor het overige willen wij u erop wijzen dat de stichting "Het Fries Landschap" de nodige rechten heeft verkregen op de gehele zandput, ook op het nieuwe gedeelte. Deze rechten zijn bekend bij de gemeente. Deze stichting heeft op dit moment 5000 m2 grond in eigendom binnen het aangewezen gebied. Bovendien heeft zij na beëindiging van de ontgrondingsvergunning het recht om de oude zandwinplas te kopen en is op dat moment dus eigenaar van meer dan de helft van het aangewezen gebied(...)."

3.6

In een door Stichting in het geding gebrachte concept akte van levering uit 1998 staat - samengevat weergegeven - vermeld dat blijkens een mondelinge koopovereenkomst tussen DVJ en Het Fries Landschap partijen een koopovereenkomst hebben gesloten op grond waarvan DVJ het zuidoostelijke gedeelte van het perceel kadastraal bekend gemeente Nijehaske, sectie K nummer 495, ter grootte van ongeveer drie hectare aan Het Fries Landschap zou leveren. Onder het kopje “Koopopties voor de Stichting en De Vries” is vermeld:

“Zodra alle ontzandingswerkzaamheden in de put op voornoemd perceel 362 en de ten oosten en ten noorden daarvan gelegen percelen definitief ten einde zijn gekomen, dient De Vries het hiervoor aan haar geleverde (dus zonder inbegrip van die belendende percelen), waar dan nog steeds een waterplas aanwezig moet zijn, aan de Stichting te koop aan te bieden voor de prijs van een honderd duizend gulden (...).”

3.7

De gemeente Skarsterlân heeft bij openbaar raadsbesluit van 19 december 2001 de ten noorden en ten oosten van de zandwinput gelegen gronden van DVJ gekocht voor de koopsom van € 1,00. Bij fax van 24 maart 2003 van de toenmalige advocaat van Het Fries Landschap (mr. Sleijfer) is DVJ gesommeerd voornoemde overeenkomst met de gemeente te ontbinden. In reactie daarop heeft DVJ bij brief van 4 april 2003 aan mr. Sleijfer geschreven dat de gemeente 'zoals verwacht' niet aan ontbinding wilde meewerken, waarbij DVJ voorts heeft gemeld dat 'de rechten zoals vastgelegd in de overeenkomst van 1993 worden gewaarborgd'. De levering aan de gemeente door DVJ van de ten noorden en ten oosten van de zandwinput gelegen gronden heeft op 1 november 2005 plaatsgevonden.

3.8

In een inspectieverslag van 27 februari 2003 van toezichthouder [naam5] betreffende de zandwinlocatie Oudehaske staat vermeld:

"(...) [naam1] heeft het recht van koop per 1 juli 2003 van de noord en oostoever. (...)."

3.9

Bij notariële akte van 21 november 2003 heeft Het Fries Landschap aan de Stichting verkocht:

"een perceel grond gelegen nabij de rijksweg A7 (Joure-Heerenveen) te Oudehaske, kadastraal bekend gemeente Nijehaske, sectie K, nummer 494, groot achtenveertig are dertig centiare;

(...)."

3.10

Op 19 december 2003 heeft de Stichting "Aan B&W van Skarsterlân" geschreven:

"Hierbij doe ik u melding dat met ingang van 21 november 2003 de rechten van Stichting het Fries Landschap zijn overgedragen aan Stichting De Blije Hengelaar inclusief de Noord en Oostzijde en de eventuele toekomstige uitbreidingen. (...)."

De gemeente ontkent voornoemde brief te hebben ontvangen.

3.11

Op 18 maart 2004 is Het Fries Landschap in staat van faillissement verklaard, met benoeming van [naam6] tot curator. De curator heeft medio 2006 op grond van de notariële akte van 17 december 1993 de koopoptie met betrekking tot de zandwinput ingeroepen, waarna de zandwinput in de boedel van de failliet (Het Fries Landschap) is gevallen.

3.12

Nadat de gemeenteraad van Skarsterlân daartoe had besloten op 28 maart 2007, heeft de gemeente Skarsterlân op 24 mei 2007 de zandwinput van de curator gekocht voor een koopsom van € 142.500,00.

3.13

[naam1] heeft zich verzet tegen de door de curator gedeponeerde uitdelingslijst in het faillissement van Het Fries Landschap. Tijdens de mondelinge behandeling van dit verzet op 5 maart 2009 is een vaststellingsovereenkomst gesloten tussen [naam1] en de gemeente Skarsterlân. De regeling hield onder meer in dat [naam1] van de curator "alle aanspraken die de boedel jegens De Vries Joure of andere derden mocht hebben uit hoofde van schadevergoeding wegens vervuiling van de zandwinput" voor een bedrag van € 1,00 van de curator overnam.

3.14

In een brief van 30 november 2009 heeft de advocaat van [naam1] (mr. Van Zandbergen) onder meer medegedeeld lopende verjaringstermijnen te willen stuiten.

3.15

In een schriftelijke verklaring van 23 november 2015 van [naam7] staat vermeld dat hij in de periode vanaf eind 1998 tot en met 2003 als toezichthouder in dienst van de provincie Fryslân ambtshalve betrokken was bij de zandwinput. Voorts staat in de schriftelijke verklaring vermeld:

"Ik ben op de hoogte van het feit dat tussen de Stichting het Fries Landschap, in de persoon van de heer [naam1] en het bedrijf De Vries Joure (hier na te noemen als DVJ) in de persoon van de directeur van DVJ, er door de heer [naam2] schriftelijke contracten zijn opgesteld.

Ik verklaar, dat ik in de bovengenoemde periode, de schriftelijk opgemaakte contracten tussen DVJ (in de persoon van die directeur [naam2] ) en de Stichting het Fries Landschap (in de persoon van de heer [naam1] ), heb gezien en gelezen.

Ik herinner me, dat in het eerste door mij destijds gezien contract o.a. staat vermeld, het recht van de Stichting het Fries Landschap van eerste koop van de zandwinput.

En dat in het tweede door mij destijds gezien contract o.a. staat vermeld, het recht van de Stichting het Fries Landschap van vruchtgebruik van de noord- en oostoever van die zandwinput, na beëindiging door DVJ van de zandwinning in de zandwinput.(...)."

3.16

In een schriftelijke verklaring van [naam8] van 3 juni 2017 - destijds via de jacht betrokken bij Het Fries Landschap en [naam1] - staat voorts vermeld:

"(...) In 1994/1995 is er een aanvullende overeenkomst/acte opgemaakt betreffende de Noord- en Oostoever tussen firma DVJ en [naam1] namens Stichting Het Fries Landschap. (...)."

3.17

Bij exploot van dagvaarding van 1 oktober 2018 is de gemeente door [naam1] gedagvaard voor de rechtbank Noord-Nederland. In die procedure heeft [naam1] een verklaring voor recht gevorderd dat de gemeente onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door de verwerving van de percelen grond ten noorden en oosten van de zandwinput. Ook heeft [naam1] een vergoeding van zijn schade gevorderd. Op 30 januari 2019 heeft de rechtbank bij verstek de vorderingen van [naam1] afgewezen, omdat onvoldoende duidelijk was gesteld wat concreet van de gemeente werd gevorderd. In hoger beroep heeft dit hof bij arrest van 24 maart 2020 het vonnis van de rechtbank (onder verbetering van gronden) bekrachtigd.

3.18

In een brief van 1 februari 2021 van de rechtsopvolgster van DVJ, Solid group B.V., heeft de directeur van Solid group B.V., [naam9] aan [naam3] /de gemeente geschreven:

"(...) Naar aanleiding van uw verzoek betreffende informatie omtrent het verstrekken van het recht tot eerste koop aan een derde betreffende het noordelijke en/of oostelijk gedeelte van de zandwinput gelegen aan De Dolten en Rijksweg te Heerenveen ook wel bekend als de uitbreiding kunnen wij u bevestigen dit niet met een derde(n) is overeengekomen.

Met andere woorden er rusten op dit gedeelte geen verplichtingen tot verkoop of aanbieden of iets dergelijks richting een derde en er hebben zich ook geen verplichtingen van dien aard op dit gedeelte gerust, althans ze zijn niet door ons of door onze rechtsvoorgangers (DVJ, De Vries Joure, [naam2] beheer o.i.d.) verstrekt(...)."

4 De motivering van de beslissing

5 De beslissing