Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 03-10-2023, ECLI:NL:GHARL:2023:8284, 200.323.066

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 03-10-2023, ECLI:NL:GHARL:2023:8284, 200.323.066

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
3 oktober 2023
Datum publicatie
9 oktober 2023
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2023:8284
Zaaknummer
200.323.066

Inhoudsindicatie

Afwikkeling ontbonden geregistreerd partnerschap. Verdeling woning. Draagplicht woon- en eigenaarslasten. Diverse verrekenvorderingen over een weer.

Uitspraak

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.323.066

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 533713)

beschikking van 3 oktober 2023

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats1] ,

verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. J.J.J.M.D. Maas te Woerden,

en

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats2] ,

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. E.A. Slappendel te Gouda.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 25 januari 2022 en 23 november 2022 (zoals hersteld bij beschikking van 25 januari 2023 en zoals deze herstelbeschikking is hersteld bij beschikking van 19 mei 2023), uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-

het beroepschrift, ingekomen op 21 februari 2023;

-

het verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep met producties 1 en 2;

-

het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep tevens vermeerdering van verzoek met producties 1 en 2;

-

een journaalbericht van mr. Maas van 13 juni 2023 met twee herstelbeschikkingen, en

-

een journaalbericht van mr. Maas van 17 juli 2023 met productie 3.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 25 augustus 2023 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3 De kern van de zaak

3.1

Tussen partijen is in geschil de vermogensrechtelijke afwikkeling van hun ontbonden geregistreerd partnerschap.

3.2

Partijen zijn op 14 februari 2005 een geregistreerd partnerschap aangegaan. Voorafgaand daaraan hebben zij partnerschapsvoorwaarden doen opstellen, welke inhouden dat tussen hen een gemeenschap van inboedel bestaat. Elke andere gemeenschap van goederen is uitgesloten. Verder is opgenomen dat een partner een vergoedingsrecht heeft jegens de andere partner, indien een bedrag of waarde ten behoeve van die andere partner aan zijn vermogen is onttrokken. De vergoeding is gelijk aan het bedrag of waarde ten tijde van de onttrekking en is in beginsel direct opeisbaar. Ook is een regeling opgenomen met betrekking tot de draagplicht van de kosten van de gemeenschappelijke huishouding.

Partijen zijn gezamenlijk eigenaar van de woning met bijbehorende grond en loods aan de [adres] te [plaats1] , gemeente [de gemeente] (verder: de woning).

3.3

Bij de beschikking van 25 januari 2022 heeft de rechtbank de ontbinding van het geregistreerd partnerschap uitgesproken. De ontbinding is op 3 mei 2022 ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.

3.4

Partijen konden het niet eens worden over de afwikkeling van hun partnerschapsvoorwaarden en de verdeling van de woning, zodat de rechtbank bij de beschikking van 23 november 2022 (verder: de bestreden beschikking) in rechte op de verzoeken van partijen dienaangaande heeft beslist. Kort samengevat heeft de rechtbank, voor zover in de procedure in hoger beroep van belang:

-

overwogen dat partijen over en weer veel bedragen van elkaar te vorderen hebben en dat zij samen afspraken zullen moeten maken hoe zij dit gaan verrekenen en voldoen;

-

bepaald dat de man de woning, althans het aandeel van de vrouw daarin, uiterlijk twee maanden na de beschikking zal overnemen, onder de voorwaarde dat de man de op die woning rustende hypothecaire lening als eigen schuld zal aflossen en dat de vrouw uit haar (hoofdelijke) aansprakelijkheid ten aanzien van die lening zal worden ontslagen, en aan de vrouw de helft van de overwaarde (verschil tussen de getaxeerde waarde en de hypothecaire schuld) zal voldoen, waarbij de kosten van overdracht van de woning door partijen ieder voor de helft worden gedragen;

-

bepaald dat indien het niet mogelijk is voor de man om de overname van de woning binnen de gestelde termijn te realiseren, de woning zo spoedig mogelijk moet worden verkocht via makelaar [naam1] , waarna de netto verkoopopbrengst bij helfte wordt gedeeld;

-

bepaald dat de man aan de vrouw € 50.310,54 moet betalen als gevolg van het aan de vrouw toekomende vergoedingsrecht samenhangend met de overbruggingsfinanciering;

-

bepaald dat het saldo van de opbouwspaarrekening aan de man wordt toegedeeld tegen de waarde op de datum van de levering van de echtelijke woning, waarbij wordt verrekend hetgeen de vrouw tot die datum te weinig heeft bijgedragen aan deze rekening;

-

bepaald dat partijen de woon- en eigenaarslasten vanaf 1 november 2022 gelijktijdig met de levering van de woning met elkaar zullen verrekenen;

-

bepaald dat de vrouw in verband met een schuldbekentenis een bedrag van € 47.500, vermeerderd met de rente van 5% per jaar, aan de man moet voldoen, te rekenen vanaf het tijdstip van de beëindiging van het geregistreerd partnerschap totdat dit door de vrouw is voldaan danwel is verrekend.

3.5

De man is met één enkele grief in hoger beroep gekomen van voormelde bestreden beschikking. Hij is het niet eens met de beslissing dat hij aan de vrouw € 50.310,54 is verschuldigd en verzoekt het hof de bestreden beschikking op dit punt te vernietigen, kosten rechtens.

3.6

De vrouw voert verweer op het verzoek van de man en verzoekt het hof dat verzoek af te wijzen. Op haar beurt is de vrouw met vijf grieven in incidenteel hoger beroep gekomen. Haar eerste grief is onderverdeeld in een aantal subgrieven. Zij verzoekt het hof de bestreden beschikking deels te vernietigen en ten aanzien van de verdeling van de woning te beslissen zoals door haar omschreven in onderdeel I van haar petitum. Verder verzoekt zij het hof, kort samengevat:

-

te bepalen dat de rente over de schuldbekentenis is verschuldigd tot 23 januari 2023, althans tot een door het hof te bepalen datum,

-

te bepalen dat de man een bepaalde gebruiksvergoeding is verschuldigd,

-

te bepalen dat de vrouw € 3.000 onverschuldigd heeft betaald aan de man en hem te veroordelen dit terug te betalen,

-

te bepalen dat de man haar € 58.547,47 moet voldoen wegens het vergoedingsrecht, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 november 2022,

-

te bepalen dat de opbouwspaarrekening tegen de waarde op de datum van levering van de woning wordt toegedeeld aan de man en hij veroordeeld wordt de helft van die waarde aan de vrouw te voldoen, waarbij wordt verrekend wat de vrouw tot die datum te weinig heeft bijgedragen, waarbij dat laatste door de man onderbouwd moet worden met verificatoire stukken, en

-

de vergoedingsvorderingen van de man te verrekenen met het aandeel van de vrouw in de overwaarde van de woning.

3.7

De man verzoekt de vrouw in haar incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar verzoeken - met uitzondering van de grieven inzake de (verkoop van) de woning en de verdeling van de opbouwspaarrekening - af te wijzen. Verder vult hij zijn verzoeken aan en verzoekt hij, voor het geval de woning zal moeten worden verkocht, om vervangende toestemming om de woning te verkopen en te leveren. Ook verzoekt hij aanvullend om te bepalen dat de vrouw over hetgeen zij uit hoofde van het aan de man toekomende vergoedingsrecht verschuldigd is, de wettelijke rente verschuldigd is vanaf 23 november 2022. Een en ander kosten rechtens.

4 De motivering van de beslissing

5 De slotsom

6 De beslissing