Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 31-10-2023, ECLI:NL:GHARL:2023:9205, 200.296.339
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 31-10-2023, ECLI:NL:GHARL:2023:9205, 200.296.339
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 31 oktober 2023
- Datum publicatie
- 2 november 2023
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2023:9205
- Zaaknummer
- 200.296.339
Inhoudsindicatie
Artikelen 3:52 en 6:89, 228 en 230 BW. Melkveehouder gaat in 2014 een kredietovereenkomst aan met de bank ter uitbreiding van zijn stallen. De staatssecretaris van Economische Zaken kondigde in 2015 een stelsel van fosfaatrechten aan, dat op 1 januari 2018 is ingevoerd. De melkveehouder voert aan dat de bank bij het aangaan van de kredietovereenkomst behoorde te weten of geacht moet worden te hebben geweten dat een productiebeperkende maatregel op het gebied van fosfaat op de loer lag en dat de bank had moeten onderzoeken of de melkveehouder over die kennis beschikte. De melkveehouder vordert vergoeding door de bank van zijn schade. Het hof verwerpt de verweren van de bank inzake verjaring en klachtplicht. Het hof overweegt dat onder de gegeven omstandigheden de zorgplicht van de bank tegenover de melkveehouder inhield dat zij bij het aangaan van de kredietovereenkomst met de melkveehouder afstemde of hij de mogelijk komende productiebeperkende maatregelen en de gevolgen daarvan voor zijn bedrijfsvoering voldoende overzag. Het hof acht het op grond van de wederzijds aangevoerde feiten voorshands aannemelijk dat de bank de melkveehouder voorafgaand aan het sluiten van de kredietovereenkomst niet heeft gewaarschuwd voor de mogelijkheid van productiebeperkende maatregelen en laat de bank toe tot het leveren van tegenbewijs.
In vervolg op ECLI:NL:RBMNE:2021:1050.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.296.339
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht: 494537
arrest van 31 oktober 2023
in de zaak van
1. de maatschap naar Nederlands recht
Melkveebedrijf [appellante1]
die is gevestigd in [vestigingsplaats]
2. [appellant2]
3. [appellante3]
4. [appellant4]
die allen wonen in [woonplaats]
die hoger beroep hebben ingesteld
en bij de rechtbank optraden als eisers
hierna samen: [de maatschap]
advocaat: mr. O.R. van Hardenbroek
tegen:
de coöperatie
Coöperatieve Rabobank U.A.
die is gevestigd in Amsterdam
die bij de rechtbank optrad als gedaagde
hierna: Rabobank
advocaat: mr. K.M. Kole
1 Het verloop van de procedure in hoger beroep
Naar aanleiding van het arrest van 2 augustus 2022 heeft op 13 juni 2023 een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Het hof heeft op verzoek van partijen voorafgaand aan deze mondelinge behandeling, bij arrest van 14 februari 2023, besloten tot gedeeltelijke opheffing van het verbod voor [de maatschap] om de door Rabobank verstrekte bescheiden met derden te mogen delen, in die zin dat [de maatschap] deze bescheiden mogen verstrekken aan een door hen aangewezen partijdeskundige.
Van de mondelinge behandeling van 13 juni 2023 is een verslag gemaakt (het proces-verbaal) dat aan het dossier is toegevoegd. Mr. Kole heeft namens Rabobank naar aanleiding van dit proces-verbaal bij brief van 17 juli 2023 een aantal opmerkingen geformuleerd en mr. Van Hardenbroek heeft bij brief van 10 augustus 2023 namens [de maatschap] een aantal opmerkingen geformuleerd. Deze brieven zijn aan het proces-verbaal gehecht. Mr. Van Hardenbroek heeft in zijn brief bezwaar gemaakt tegen een aantal opmerkingen in de brief van 17 juli 2023 van de kant van Rabobank, omdat deze nadere nuanceringen en/of preciseringen in juridische zin vormen. Het hof betrekt in dit arrest louter correcties op het proces-verbaal en laat mogelijke nieuwe standpunten van partijen, opgenomen in deze brieven, buiten beschouwing.
Na de mondelinge behandeling van 13 juni 2023 hebben partijen het hof gevraagd om opnieuw arrest te wijzen.
2 De kern van de zaak en de relevante feiten
[appellant2] (hierna: [appellant2] ) en zijn echtgenote [appellante3] (hierna: [appellante3] ) zijn in 2014 een leningsovereenkomst ad € 1.175.000 aangegaan met Rabobank ter financiering van de vervanging en uitbreiding van de stallen van hun melkveebedrijf en ter aankoop van grond. Medio 2015 – de vervanging en uitbreiding van de stallen waren toen nog niet afgerond – heeft de Staatssecretaris van Economische Zaken de invoering van een wettelijk stelsel van fosfaatrechten aangekondigd, waarbij in het kader van de toekenning van fosfaatrechten de op 2 juli 2015 aanwezige veestapel als uitgangspunt zou worden gehanteerd. De invoering (per 1 januari 2018) van het wettelijk stelsel van fosfaatrechten kwam er voor [de maatschap] daardoor op neer dat zij hetzij de uitbreiding van de stallen niet (volledig) konden benutten, hetzij fosfaatrechten voor het hogere aantal koeien zouden moeten aankopen. [de maatschap] verwijten Rabobank dat zij [de maatschap] niet voorafgaand aan het aangaan van de kredietovereenkomst heeft gewaarschuwd voor deze mogelijke aanstaande wetgeving en de daaruit voor [de maatschap] voortvloeiende beperkingen.
Het hof gaat uit van de feiten zoals de rechtbank deze heeft vastgesteld in de onderdelen 2.1. en 2.2. van het vonnis van 24 maart 2021.1 De volgende feiten zijn in hoger beroep van belang.
De kredietovereenkomst (2014)
De maatschap Melkveebedrijf [appellante1] exploiteert sinds 1997 een melkveebedrijf in [vestigingsplaats] . Deze maatschap is een voortzetting van de onderneming van de ouders van [appellant2] . Vader en [appellante3] zijn vanaf het begin maten van de maatschap, [de zoon] (hierna: [de zoon] ) is in 2017 toegetreden.
[de maatschap] (dat wil zeggen: tot 2017 vader en [appellante3] ) hadden in 2014 een stal met een maximale capaciteit van 110 melkkoeien en 141 stuks jongvee in aparte stallen. [de maatschap] hebben in de loop van 2014 een bouw– en milieuvergunning verkregen voor uitbreiding van hun veestapel naar 199 melkkoeien, 39 fokstieren en overig rundvee ouder dan twee jaar en 141 stuks vrouwelijk jongvee. [de maatschap] hebben Rabobank verzocht om financiering daarvan. [de maatschap] hadden toen al een bancaire relatie met Rabobank.
Rabobank heeft bij brieven van 7 augustus 2014, gericht tot vader en [appellante3] , een financieringsvoorstel gedaan, bestaande uit € 875.000 voor de bouw van de nieuwe stal en € 300.000 voor de aankoop van grond. Zij hebben dit voorstel op 23 oktober 2014 geaccepteerd (zie overweging 3.5. vonnis rechtbank). Het hof duidt deze overeenkomst hierna aan als de kredietovereenkomst.
Aanloop naar en invoering van het fosfaatrechtenstelsel (2014-2015)
In de periode rond het aangaan van de kredietovereenkomst (2014) gold in Nederland een systeem van koemelkquotering. Dit stelsel beperkte de melkproductie en daarmee ook de mestproductie door melkvee. Beperking van de mestproductie was van belang in het kader van de Europese Nitraatrichtlijn, die tot doel heeft om waterverontreiniging die wordt veroorzaakt door nitraten uit agrarische bronnen te verminderen en om verdere verontreiniging te voorkomen. Voor de melkveesector ging het met name om de beperking van de hoeveelheid fosfaat uit mest die maximaal op de bodem zou mogen worden gebracht. Nederland had van de Europese Commissie – in afwijking van de Nitraatrichtlijn, bij wijze van ‘derogatie’ – toestemming gekregen om fosfaat uit te stoten tot een maximum van 172,9 miljoen kg per jaar. Voor de melkveehouderij betekende dit dat de jaarlijkse fosfaatproductie niet boven 84,9 miljoen kg mocht uitkomen. Het systeem van melkquotering liep op grond van de Europese besluitvorming op 1 april 2015 af.
De toenmalige staatssecretaris van Economische Zaken (hierna: de staatssecretaris) schreef in een kamerbrief van 12 december 2013 dat het kabinet de groei van individuele melkveehouderijen wilde (blijven) toestaan, op voorwaarde dat voldoende grond onder de betrokken bedrijven lag om de extra fosfaatproductie te kunnen plaatsen. De staatssecretaris voegde daaraan toe dat wanneer uit de monitoring van de mestmarkt zou blijken dat de totale fosfaatproductie in Nederland in enig jaar het plafond van 2002 overschrijdt, nadere productiebeperkende maatregelen aan de orde zouden zijn.
De staatssecretaris diende op 30 juni 2014 een wetsvoorstel ‘verantwoorde groei melkveehouderij’ in, waarin werd voorgesteld om groei van de melkveehouderij te stimuleren en om de fosfaatproductie na afschaffing van het melkquotum te sturen met het in de brief van 12 december 2013 aangekondigde stelsel van grondgebondenheid en mestverwerking. Dit wetsvoorstel is aangenomen door de Tweede Kamer en de Eerste Kamer en is op 1 januari 2015 in werking getreden.
De staatssecretaris informeerde de Tweede Kamer bij brief van 3 oktober 2014 over een onderzoek van het Landbouw Economisch Instituut (LEI) en concludeerde op basis van dit onderzoek dat het ‘stelsel verantwoorde groei melkveehouderij’ het juiste instrument is om economische ontwikkeling in de melkveehouderij mogelijk te maken en tegelijkertijd te borgen dat de groei binnen de milieurandvoorwaarden kan plaatsvinden. De staatssecretaris voegde daaraan toe:
“Mocht echter uit monitorgegevens blijken dat door de groei van de melkveehouderij het nationale fosfaatproductieplafond wordt overschreden waardoor Nederland niet langer voldoet aan de derogatie-voorwaarden zijn, zoals ik in de eerder genoemde brief aan uw Kamer heb gemeld, productiebegrenzende maatregelen aan de orde”.
De staatssecretaris schreef in een kamerbrief van 1 juni 2015 dat de overschrijding van het sectorplafond voor de melkveehouderij aanleiding moest zijn om in te grijpen in de fosfaatproductie op een nader te bepalen wijze. De staatssecretaris kondigde in een kamerbrief van 2 juli 2015 een stelsel van fosfaatrechten aan dat zou teruggrijpen op referentiejaar 2014 met als peildatum 2 juli 2015.
Op 1 januari 2018 is het fosfaatrechtenstelsel ingevoerd. In het kader van dit stelsel stelt de minister van Landbouw, Natuur en Voedsel de fosfaatrechten van een bedrijf vast. De toe te kennen fosfaatrechten staan gelijk aan de productie van dierlijke meststoffen door melkvee dat op 2 juli 2015 op het betrokken bedrijf werd gehouden en geregistreerd stond.
Bouw stal/fosfaatrechten [de maatschap] (2015)
[de maatschap] hebben in december 2015 de bouw van de stal voltooid. Op de peildatum voor de aan hen toe te kennen fosfaatrechten – 2 juli 2015 – hadden [de maatschap] 111 melkkoeien en 114 stuks jongvee; op die datum was de uitbreiding van de stal nog niet voltooid en was deze nog niet in gebruik genomen.
De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna RVO) heeft bij beschikking van 5 januari 2018 het aantal fosfaatrechten voor [de maatschap] vastgesteld op 5.768 kg fosfaat. De toegekende fosfaatrechten waren onvoldoende om de door [de maatschap] beoogde uitbreiding naar 199 melkkoeien en 141 stuks jongvee te realiseren. RVO heeft bij besluit van 27 augustus 2019 het bezwaar van [de maatschap] tegen deze beschikking afgewezen, omdat geen sprake is van een individuele disproportionele last. Het College van Beroep voor het Bedrijfsleven heeft het beroep hiertegen van [de maatschap] afgewezen.
Het geschil
De advocaat van [de maatschap] heeft Rabobank bij brief van 5 september 2019 laten weten dat [de maatschap] van mening zijn dat Rabobank haar zorgplicht heeft geschonden en [de maatschap] voorafgaand aan het sluiten van de financieringsovereenkomst had moeten wijzen op de risico’s waaronder de introductie van een fosfaatrechtenstelsel en heeft namens [de maatschap] Rabobank aansprakelijk gesteld voor alle geleden en nog te lijden schade. Rabobank heeft zich in het daarna tussen partijen gevoerde overleg op het standpunt gesteld dat zij aan haar zorgplicht heeft voldaan en heeft aansprakelijkheid van de hand gewezen.
3 De vorderingen bij – en de beslissing van de rechtbank
[de maatschap] hebben bij de rechtbank gevorderd dat Rabobank hen een bedrag, nader op te maken bij staat, betaalt voor het nadeel dat zij hebben geleden door dwaling bij het aangaan van de financieringsovereenkomst of - als die vordering niet toewijsbaar is - dat Rabobank hen een nog te bepalen bedrag betaalt als schadevergoeding voor de schending van haar zorgplicht. Ook hebben [de maatschap] een voorschot gevorderd (van € 253.623, te vermeerderen met wettelijke rente) op het nader te bepalen bedrag aan compensatie of schadevergoeding. Ten slotte hebben zij vergoeding gevorderd van de gemaakte buitengerechtelijke kosten en proceskosten en de nog te maken nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
De rechtbank heeft de vorderingen van [de maatschap] afgewezen omdat zij (kort gezegd) van oordeel was dat op Rabobank geen verplichting rustte om [de maatschap] te wijzen op het risico van invoering door de overheid van productiebeperkende maatregelen en dat Rabobank ook geen plicht had om hen daarvoor te waarschuwen. De bedoeling van het hoger beroep is dat de afgewezen vorderingen alsnog worden toegewezen, met dien verstande dat [de maatschap] hun eis in hoger beroep hebben verminderd. Zij vorderen niet meer dat Rabobank wordt veroordeeld tot het betalen van een voorschot op de geleden schade en de buitengerechtelijke incassokosten.