Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 09-01-2024, ECLI:NL:GHARL:2024:197, 200.320.623/01
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 09-01-2024, ECLI:NL:GHARL:2024:197, 200.320.623/01
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 9 januari 2024
- Datum publicatie
- 16 januari 2024
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2024:197
- Zaaknummer
- 200.320.623/01
Inhoudsindicatie
Ouders van hun overleden dochter spreken de partner van hun dochter als haar erfgenaam tot terugbetaling van het geld zij aan hun dochter hebben geleend voor de aankoop van een woning. Het verweer van de partner dat geen sprake is geweest van een geldlening maar van een schenking wordt verworpen.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.320.623/01
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 535041)
arrest van 9 januari 2024
in de zaak van
[appellant] ,
die woont in [woonplaats1] ,
die hoger beroep heeft ingesteld en
bij de rechtbank optrad als gedaagde,
hierna: [appellant],
advocaat: mr. P. de Haan, die kantoor houdt in Almere,
tegen
1 wijlen [geïntimeerde1] ,
die bij leven woonde in [woonplaats1] ,
en
2. [geïntimeerde2],
die woont in [woonplaats1] ,
die bij de rechtbank optraden als eisers,
hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden],
advocaat: mr. J. Brakke, die kantoor houdt in Zeewolde.
1 Het verloop van de procedure in hoger beroep
[appellant] heeft op 16 december 2022 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, (hierna: de rechtbank) op
28 september 2022 heeft gewezen. Vervolgens heeft het hof op 21 februari 2023 – per abuis alleen tussen [appellant] en [geïntimeerde1] – een arrest gewezen op basis waarvan op
24 april 2023 een mondelinge behandeling na aanbrengen heeft plaatsgevonden. Aan die mondelinge behandeling hebben zowel [geïntimeerde1] als [geïntimeerde2] als partij deelgenomen.
Hierna zijn aan processtukken ingediend:
- -
-
de memorie van grieven tevens houdende vermeerdering van eis, met producties;
- -
-
de memorie van antwoord van [geïntimeerde2] , met producties;
- -
-
een akte uitlating producties van [appellant] .
Tot slot hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.
2. De kern van de zaak
[geïntimeerden] spreken [appellant] aan als erfgenaam van hun dochter tot terugbetaling van wat zij aan hun dochter hebben geleend. Het verweer van [appellant] dat geen sprake is geweest van een geldlening maar van een schenking is door de rechtbank verworpen, waarna [appellant] is veroordeeld tot terugbetaling van hoofdsom en rente over de laatste vijf jaar. Dat oordeel blijft in stand. Dat zal hierna worden uitgelegd, nadat eerst de feiten en de vorderingen zijn beschreven.
3 De vaststaande feiten
Het hof gaat in hoger beroep uit van de navolgende feiten:
[geïntimeerden] zijn de ouders van [naam1] (hierna ook: [naam1] ). Tussen hen is een overeenkomst opgemaakt met als datum 11 oktober 2009 waarin is vermeld dat [naam1] het voornemen heeft om te gaan wonen in [woonplaats1] op [adres] (hierna: de woning) en dat [geïntimeerden] haar een lening verstrekken van € 40.000 om de aankoop van die woning mogelijk te maken. Verder is daarin bepaald dat de rente 4% op jaarbasis bedraagt, dat die rente jaarlijks gelijk met de aflossing per 1 december is verschuldigd, voor het eerst in 2009 en voor het laatst in 2025, en dat de lening bij verkoop van de woning onmiddellijk wordt afgelost.
[naam1] is op 30 oktober 2009 ongedeeld eigenaar geworden van de woning die zij voor € 210.000 heeft aangekocht. Ter financiering van de aankoop daarvan heeft [naam1] € 186.000 geleend van een bank en daartoe een recht van hypotheek op de woning verleend.
In juni 2019 is [naam1] met [appellant] een geregistreerd partnerschap aangegaan, onder partnerschapsvoorwaarden.
[naam1] is op 3 september 2021 overleden. [appellant] is door [naam1] bij testament benoemd tot haar enig erfgenaam. [appellant] heeft de nalatenschap aanvaard.
Met een brief van 22 september 2021 hebben [geïntimeerden] de overeenkomst van geldlening van 11 oktober 2009 opgezegd en aanspraak gemaakt op terugbetaling van de hoofdsom met verschenen contractuele rente.