Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 16-07-2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4666, 200.336.511
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 16-07-2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4666, 200.336.511
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 16 juli 2024
- Datum publicatie
- 18 september 2024
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2024:4666
- Zaaknummer
- 200.336.511
Inhoudsindicatie
Echtscheiding. Huwelijk ‘met de handschoen’. IPR. Toepasselijk recht. Bruidsgave. Het hof komt tot de conclusie, alle omstandigheden in aanmerking nemende, dat het Nederlands recht het recht is waarmee het huwelijksvermogensregime van partijen het nauwst verbonden is. Het Nederlandse recht kent de bruidsgave niet. Binnen Nederland wordt deze inmiddels als een op zichzelf staande rechtsfiguur gekwalificeerd, een rechtsfiguur sui generis. De voldoening van de bruidsgave wordt meestal verdeeld over twee momenten: het eerste deel bij het huwelijk en het tweede deel bij ontbinding van het huwelijk, zoals bij overlijden of echtscheiding. Ook door partijen in de onderhavige zaak is voldoening van de bruidsgave verdeeld over twee momenten. Het eerste deel is al voldaan. De man moet ook het tweede deel (de uitgestelde bruidsgave) aan de vrouw voldoen.
Uitspraak
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.336.511
(zaaknummers rechtbank Gelderland 412225 en 418532)
beschikking van 16 juli 2024
inzake
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats1] ,verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. F. van den Heuvel te Arnhem,
en
[verweerster] ,
wonende te [woonplaats1] ,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. R.R. Wijnakker te Arnhem.
1 Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 10 oktober 2023, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.
2 Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift, ingekomen op 10 januari 2024, met producties 4 en 5;
- het verweerschrift met producties 1 en 2;
- een journaalbericht van mr. Wijnakker van 17 juni 2024 met producties 3 en 4;
- een journaalbericht van mr. Van den Heuvel van 27 juni 2024 met productie 6.
De mondelinge behandeling heeft op 27 juni 2024 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.
Mr. Wijnakker heeft op de mondelinge behandeling bezwaar gemaakt tegen overlegging van productie 6 door mr. Van den Heuvel, als zijnde te laat. Het hof heeft daarop beslist dat op die productie wel acht wordt geslagen. Weliswaar is het stuk binnen de tien-dagen-termijn overgelegd, maar het betreft slechts één bankafschrift met één overboeking. De productie is kort en eenvoudig te doorgronden, zodat mr. Wijnakker en haar cliënte, ondanks de late indiening, in redelijkheid voldoende moeten hebben kunnen kennisnemen van die productie.
3 De zaak in het kort
Partijen zijn [in 1] 2009 gehuwd in [plaats1] (Israël). Het huwelijk heeft op afstand plaatsgevonden. De man is op de Israëlische ambassade in Nederland gehuwd met de vrouw die op dat moment in Israël verbleef.
Zij zijn ouders van [de minderjarige] , geboren [in 2] 2010 te [plaats1] (Israël).
De man heeft op 5 december 2022 een verzoek tot echtscheiding ingediend. De vrouw heeft verweer gevoerd en zelfstandige verzoeken gedaan. Ook zij heeft verzocht de echtscheiding uit te spreken.
Bij de beschikking van 10 oktober 2023 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. Ten tijde van de mondelinge behandeling bij het hof was de echtscheidingsbeschikking nog niet ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Het hof heeft partijen verzocht, gelet op de nog korte termijn waarbinnen de echtscheidingsbeschikking ingeschreven dient te zijn, het hof te berichten zodra de inschrijving een feit is. Als bijlage bij een journaalbericht van mr. Wijnakker van 9 juli 2024 is aan het hof een kennisgeving van inschrijving toegezonden, waaruit blijkt dat de echtscheidingsbeschikking op 8 juli 2024 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van [plaats2] .
Naast het uitspreken van de echtscheiding heeft de rechtbank in de beschikking van
10 oktober 2023 (hierna ook: de bestreden beschikking), kort samengevat:
- -
-
de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de vrouw vastgesteld;
- -
-
een regeling vastgesteld voor de verdeling van de zorg- en opvoedtaken betreffende [de minderjarige] ;
- -
-
bepaald dat de man aan de vrouw € 25 per maand moet betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] ;
- -
-
bepaald dat de man aan de vrouw binnen vier weken na de datum van de beschikking € 4.700 moet betalen, welk bedrag bij niet tijdige betaling wordt verhoogd met de wettelijke rente;
- -
-
de beslissingen, behoudens de uitgesproken echtscheiding, uitvoerbaar bij voorraad verklaard;
- -
-
beide partijen niet-ontvankelijk verklaard in hun verzoeken betreffende het huurrecht van de woning in [woonplaats1] ;
- -
-
de vrouw niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek betreffende de verdeling van de inboedel;
- -
-
het meer of anders verzochte afgewezen.
De man is met twee grieven van de bestreden beschikking in hoger beroep gekomen. Beide grieven zien op de beslissing dat de man € 4.700 (het uitgestelde deel van de bruidsgave) aan de vrouw moet voldoen. Hij verzoekt het hof de bestreden beschikking ten aanzien van die beslissing te vernietigen en het verzoek tot betaling van de bruidsgave alsnog af te wijzen, dan wel te oordelen dat de man de bruidsgave reeds heeft voldaan, dan wel te oordelen dat de vorderingen van de man op de vrouw kunnen worden verrekend met de vordering van de vrouw op de man.
De vrouw voert verweer en verzoekt het hof de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn beroep dan wel zijn beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.