Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 23-07-2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4798, 200.321.436/01
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 23-07-2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4798, 200.321.436/01
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 23 juli 2024
- Datum publicatie
- 30 juli 2024
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2024:4798
- Zaaknummer
- 200.321.436/01
Inhoudsindicatie
Op de verificatievergadering in een faillissement betwisten de curator en de bank een door een (andere) schuldeiser ingediende vordering. Na verwijzing op grond van 112 Fw. verklaart de rechtbank zich onbevoegd om van het geschil kennis te nemen vanwege een arbitrageovereenkomst, zowel wat betreft het verificatiegeschil tussen de schuldeiser wiens vordering wordt betwist en de curator als het geschil naar aanleiding van de betwisting door de bank. Het hof vernietigt die beslissing wat betreft het verificatiegeschil tussen de schuldeiser en de bank omdat de bank het arbitrale beding niet aan de schuldeiser kan tegenwerpen.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.321.436/01
zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 208713
arrest van 23 juli 2024
in de zaak van
Bouwbedrijf Westerman B.V.,
die is gevestigd in Haren,
die hoger beroep heeft ingesteld,
en bij de rechtbank optrad als eiseres (tot verificatie),
hierna: Westerman,
advocaat: mr. D.J. Kap te Haren,
tegen
1. [geïntimeerde1] , als curator in het faillissement van Norder Investment B.V.,
die woont in [woonplaats1] ,
hierna: de curator,
advocaat: mr. A. Gras te Groningen
2. Coöperatieve Rabobank U.A.,
die is gevestigd in Utrecht,
hierna: Rabobank,
advocaat; mr. V.H. Jurgens te Utrecht,
en die samen bij de rechtbank optraden als gedaagden.
1 Het verloop van de procedure in hoger beroep
Naar aanleiding van het arrest van 8 augustus 2023 heeft op 14 december 2023 een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Na een periode van beraad hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen.
2 De kern van de zaak
Westerman heeft bij de curator een vordering ingediend in het faillissement van Norder Investment en heeft een beroep op gedaan op een aan die vordering op grond van een retentierecht verbonden voorrang. Op de verificatievergadering hebben de curator en Rabobank de vordering en de voorrang betwist, waarna de rechter-commissaris partijen heeft verwezen naar een renvooiprocedure bij de rechtbank. De rechtbank heeft zich vervolgens op verzoek van de curator en Rabobank onbevoegd verklaard om van het geschil kennis te nemen, omdat de vordering tot verificatie van Westerman in arbitrage dient te worden beoordeeld door de Raad van Arbitrage in Bouwgeschillen. In dit hoger beroep gaat het erover of die beslissing juist was.
Het hof zal tot oordeel komen dat de bezwaren (grieven) van Westerman tegen de beslissing van de rechtbank gedeeltelijk doel treffen, zodat het bestreden vonnis vernietigd zal worden. De proceskosten in de procedure bij de rechtbank en in hoger beroep zullen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Het hof ziet aanleiding met het oog op de verdere voortgang van de procedure een voorziening te treffen. Het hof zal een en ander hierna motiveren, na eerst een overzicht te hebben gegeven van de van belang zijnde feiten.
3 De feiten
Westerman en Norder Investment hebben op 21 januari 2009 een aannemingsovereenkomst gesloten met betrekking tot een door Westerman in opdracht van Norder Investment te bouwen bedrijfspand in Groningen. Van de overeenkomst maken deel uit de Algemene Voorwaarden voor Aannemingen in het Bouwbedrijf 1992 (AVA 1992).
In de AVA 1992 is in artikel 21 lid 1 bepaald dat voor de beslechting van geschillen door partijen afstand wordt gedaan van hun recht deze aan de gewone rechter voor te leggen, behoudens in geval van conservatoire maatregelen en de voorzieningen om deze in stand te houden. In artikel 21 lid 2 is bepaald dat alle geschillen die naar aanleiding van de overeenkomst ontstaan of die daarvan een uitvloeisel zijn tussen aannemer en opdrachtgever worden beslecht door arbitrage overeenkomstig de regelen beschreven in de statuten van de Raad van Arbitrage voor de Bouwbedrijven in Nederland1. Artikel 21 AVA 1992 zal hierna ook wel het arbitragebeding worden genoemd.
Tijdens de uitvoering van de bouwwerkzaamheden is Norder Investment met betaling van opeisbare facturen van Westerman in gebreke gebleven. Westerman heeft een beroep gedaan op een retentierecht en is een procedure begonnen bij de Raad van Arbitrage voor de Bouw. In juli 2012 hebben Norder Investment en Westerman een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarin zij afspraken hebben gemaakt over door Norder Investment te verrichten betalingen, de (gedeeltelijke) opheffing van het retentierecht en het voortzetten van de werkzaamheden door Westerman uit hoofde van de aannemingsovereenkomst. De procedure bij de Raad van Arbitrage is daarom beëindigd.
Norder Investment is op 18 maart 2014 in staat van faillissement verklaard met benoeming van de curator in zijn hoedanigheid. Westerman heeft een vordering in het faillissement ingediend van € 266.632,01 en beroep gedaan op voorrang in verband met het retentierecht. De curator heeft het door Westerman opgerichte gebouw van Norder Investment verkocht in opdracht van de Rabobank als hypotheekhoudster. Van de opbrengst is door de curator een bedrag van € 266.632,01 afgezonderd van de boedel in verband met de door Westerman gepretendeerde voorrang van haar vordering.
De Rabobank heeft in het faillissement een niet betwiste vordering ingediend die voor een bedrag van ruim 4 miljoen euro op de lijst van erkende crediteuren is geplaatst.
Op 11 oktober 2021 heeft in het faillissement van Norder Investment een verificatievergadering plaatsgevonden. De curator en de Rabobank hebben toen de vorderingen van Westerman en de op grond van het retentierecht gepretendeerde voorrang betwist. De vordering van Westerman is op de lijst van betwiste vorderingen geplaatst, met aantekening dat ook de voorrang is betwist.
De rechter-commissaris in het faillissement heeft partijen verwezen naar de enkelvoudige civiele kamer van de rechtbank Noord-Nederland.2
In de renvooiprocedure heeft Westerman haar vordering van € 266.632,01 verhoogd met de contractuele rente op grond van de AVA 1992 en buitengerechtelijke kosten . Zij heeft bij de rechtbank gevorderd haar vordering te erkennen tot een bedrag van € 560.495,65 en erkenning van de voorrang op grond van het retentierecht, met veroordeling van de curator en de Rabobank in de proceskosten.
De curator en de Rabobank hebben in de renvooiprocedure een beroep gedaan op de onbevoegdheid van de rechtbank, omdat tussen Westerman en Norder Investment een arbitragebeding geldt. De rechtbank heeft dat beroep gehonoreerd en zich op grond van artikel 1022 Rv onbevoegd verklaard. Westerman heeft tegen die beslissing dit hoger beroep ingesteld. De grieven van Westerman tegen het vonnis hebben de strekking dat de rechtbank zich ten onrechte onbevoegd heeft verklaard.