Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 12-11-2024, ECLI:NL:GHARL:2024:6910, 200.337.397

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 12-11-2024, ECLI:NL:GHARL:2024:6910, 200.337.397

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
12 november 2024
Datum publicatie
25 november 2024
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2024:6910
Zaaknummer
200.337.397

Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie, partijen hebben niet alle op grond van artikel 2.1.2 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven benodigde financiële stukken in het geding gebracht. Aan de zijde van de onderhoudsplichtige is sprake van bijzondere omstandigheden, die maken dat de vrouw onvoldoende draagkracht heeft om bij te dragen in de kosten van de kinderen die de onderhoudsgerechtigde maakt.

Uitspraak

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.337.397

(zaaknummer rechtbank Overijssel 294362)

beschikking van 12 november 2024

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [plaats1] ,

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. M. Tijken,

en

[naam1] , handelende onder de naam [naam2],

gevestigd te [plaats1] ,

in haar hoedanigheid van bewindvoerder over alle goederen die (zullen) toebehoren aan:

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats1] ,

verder te noemen: de vrouw,

verweerster in hoger beroep,

advocaat: mr. T.R. Oude Veldhuis.

1 De procedure in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo (hierna: de rechtbank), van 8 november 2023, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, verder ook te noemen: de bestreden beschikking.

2 De procedure in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-

het beroepschrift met producties, ingekomen op 2 februari 2024;

-

het verweerschrift met producties;

-

een journaalbericht van mr. Oude Veldhuis van 19 september 2024 met producties.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 24 september 2024 plaatsgevonden.

Aanwezig waren:

- de man bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw bijgestaan door haar advocaat.

3. De feiten

3.1

Het huwelijk van partijen is [in] 2017 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank van 13 juli 2017 in de registers van de burgerlijke stand.

3.2

De man en de vrouw zijn de ouders van:

-

[de minderjarige1] , geboren [in] 2010,

-

[de minderjarige2] , geboren [in] 2014,

-

[de minderjarige3] , geboren [in] 2014 en

-

[de minderjarige4] , geboren [in] 2015.

Zij hebben gezamenlijk het gezag over de kinderen.

3.3

De man en de vrouw hebben de gevolgen van echtscheiding geregeld in (onder meer) het door hen beiden op 4 juli 2017 ondertekende ouderschapsplan. In de echtscheidingsbeschikking heeft de rechtbank bepaald dat de inhoud van het ouderschapsplan deel uitmaakt van die beschikking.

De ouders zijn – voor zover in deze procedure van belang – in het ouderschapsplan overeengekomen dat

-

[de minderjarige1] en [de minderjarige4] hoofdverblijf hebben bij de vrouw en [de minderjarige2] en [de minderjarige3] bij de man,

-

als verblijfsregeling de daarin omschreven co-ouderschapsregeling zal worden uitgevoerd,

-

in verband met dit co-ouderschap over en weer geen sprake zal zijn van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding door een van de ouders aan de andere ouder (hierna ook: kinderalimentatie).

3.4

Met ingang van 15 februari 2019 is door de kantonrechter in de rechtbank vanwege het hebben van problematische schulden een bewind ingesteld over de goederen die aan de vrouw (zullen) toebehoren.

3.5

De ouders hebben de afgelopen jaren diverse procedures gevoerd, onder meer over het hoofdverblijf van de kinderen en de zorgregeling. Bij beschikking van 16 maart 2021 heeft de rechtbank bepaald dat (ook) de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige1] en [de minderjarige4] bij de man is. Bij beschikking van de rechtbank van 24 juni 2021 is het verzoek van de man tot het vaststellen van kinderalimentatie voor de vier kinderen ten laste van de vrouw afgewezen bij gebreke van draagkracht van de vrouw mede als gevolg van niet verwijtbare en niet vermijdbare schulden.

3.6

Bij beschikking van 10 augustus 2023 heeft de rechtbank bepaald dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige3] bij de vrouw is. [de minderjarige3] verbleef feitelijk van 9 november 2022 tot en met 9 januari 2023 bij de vrouw en woont sinds 28 april 2023 bij haar.

4 Het geschil

4.1

In de bestreden beschikking heeft de rechtbank – voor zover hier van belang – het verzoek van de man (ontvangen op 28 maart 2023) om de afspraak in het ouderschapsplan over de kosten van de kinderen te wijzigen en te bepalen dat de vrouw € 125 per kind per maand zal bijdragen in de kosten van de kinderen afgewezen.

4.2

De man is het niet eens met die beslissing en komt daartegen in hoger beroep.

De man verzoekt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende het ouderschapsplan te wijzigen en/althans te bepalen dat de vrouw aan hem een kinderalimentatie zal betalen met ingang van:

-

28 maart 2023 (datum indiening verzoek bij de rechtbank) van € 36 per kind per maand voor alle kinderen;

-

8 augustus 2023 tot en met 9 augustus 2023 van € 13 per kind per maand voor alle kinderen;

-

9 augustus 2023 tot en met 31 augustus 2023 van € 19 per kind per maand voor [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige4] ;

-

1 september 2023 met een bedrag van € 85 per kind per maand voor [de minderjarige1] , [de minderjarige2] , en [de minderjarige4] ,

-

althans een bedrag en met ingang van zodanige datum als het hof juist acht,

kosten rechtens.

4.3

De vrouw voert verweer en verzoekt het hof – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – de man in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans het beroep ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking al dan niet onder aanvulling en/of verbetering van gronden te bekrachtigen.

5 De overwegingen voor de beslissing

6 De slotsom

7 De beslissing