Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 18-03-2025, ECLI:NL:GHARL:2025:1565, 200.343.938
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 18-03-2025, ECLI:NL:GHARL:2025:1565, 200.343.938
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 18 maart 2025
- Datum publicatie
- 25 maart 2025
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2025:1565
- Zaaknummer
- 200.343.938
Inhoudsindicatie
Kort Geding. Niet opgeven nevenfuncties door compliance medewerker bank. Registratie in IR en EVR voor pre-employment screening gegrond. Geen verwerking van strafrechtelijke persoonsgegevens. Voldaan aan vereisten PIFI behalve ten aanzien van proportionaliteitseis. Duur registratie ingekort.
Uitspraak
locatie Arnhem, afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.343.938
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht: 576082)
Arrest in kort geding van 18 maart 2025
in de zaak van:
[appellante] ,
die woont in [woonplaats1] ,
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de rechtbank optrad als eiseres,
hierna: [appellante] ,
advocaat: mr. P.A. Bonaparte,
tegen:
de coöperatieve Rabobank U.A.,
die is gevestigd in Amsterdam,
die bij de rechtbank optrad als gedaagde,
hierna: Rabobank,
advocaat: mr. A. Bijnevelt
1 Het verloop van de procedure
[appellante] heeft Rabobank in kort geding gedagvaard voor de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland (zittingsplaats Utrecht). Na de mondelinge behandeling heeft de voorzieningenrechter op 26 juni 2024 vonnis gewezen (ECLI:NL:RBMNE:2024:4225).
[appellante] heeft Rabobank op 23 juli 2024 in hoger beroep gedagvaard. Daarna is de memorie van antwoord genomen. Op 3 februari 2025 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarvan is een verslag (proces-verbaal) gemaakt. Partijen hebben arrest gevraagd. Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.
2 De kern van de zaak
[appellante] heeft als zzp’er via een overeenkomst van opdracht voor Rabobank gewerkt op het gebied van compliance. Voorafgaand aan het sluiten van die overeenkomst is haar gevraagd om haar nevenfuncties op te geven. [appellante] heeft in meerdere formulieren en in het programma CAFE een incorrecte opgave van haar nevenfuncties gedaan. Voor Rabobank was dat reden om de gegevens van [appellante] , voor de duur van twee jaar en uitsluitend voor pre-employment screening, te registreren in het Incidentenregister (IR) en het daaraan gekoppelde Extern Verwijzingsregister (EVR) en voor acht jaar in het Interne Verwijzingsregister (IVR). [appellante] wil dat Rabobank deze registraties verwijdert omdat die volgens haar onrechtmatig en disproportioneel zijn. Zij vorderde bij de voorzieningenrechter veroordeling tot verwijdering van de registraties of inkorting van de termijn. De voorzieningenrechter heeft haar vorderingen afgewezen. In hoger beroep vordert [appellante] veroordeling tot verwijdering van haar gegevens uit het IR en EVR binnen twee werkdagen na betekening van het arrest (zij berust in de registratie in het IVR). Het hof zal die vordering grotendeels toewijzen en legt hierna uit waarom.
3 De feiten
Het hof gaat in dit kort geding uit van een aantal feiten waarover partijen niet van mening verschillen.
[appellante] heeft op 14 oktober 2022 een overeenkomst van opdracht gesloten met Brainnet B.V. ('Brainnet’), later genaamd Magnit Global Netherlands BN B.V. (‘Magnit’). Op grond van die overeenkomst heeft Brainnet [appellante] aan Rabobank ter beschikking gesteld voor het verrichten van werkzaamheden op het gebied van compliance voor 36 uur per week. [appellante] is in oktober 2022 met haar werkzaamheden voor Rabobank gestart. Daarnaast had zij met ingang van 1 augustus 2022 een opdracht voor ABN AMRO aanvaard voor eveneens 36 uur per week.
Voorafgaand aan de start van haar werkzaamheden bij Rabobank heeft [appellante] het zogenoemde onboarding proces van Brainnet doorlopen.
[appellante] heeft op 15 september 2022 het ‘Registratieformulier nevenfuncties’ ondertekend. Op dat formulier staat vermeld:
“Eerdere en/of huidige nevenfuncties / nevenactiviteiten mogen niet ten koste gaan van de integriteit en objectiviteit bij de uitvoering van het werk van een medewerker bij Rabobank. Elke suggestie van een conflict tussen privé- en beroepsbelang van de medewerker moet worden vermeden.
Om een zorgvuldige beoordeling te kunnen doen van mogelijk conflicterende belangen wenst Rabobank een overzicht van alle door een toekomstig medewerker uitgeoefende nevenfuncties / nevenactiviteiten gedurende de afgelopen 5 jaar alsmede de huidige nevenfuncties / nevenactiviteiten.”
[appellante] heeft op dit formulier aangevinkt dat zij geen nevenfuncties vervult.
Op 27 september 2022 heeft [appellante] in bijlage D.1 ‘Opgave van ex-werkgevers/opdrachtgevers’ geen melding gemaakt van haar opdracht aan ABN AMRO. Verder heeft [appellante] in het formulier ‘Beoordeling ondernemerschap’ ingevuld dat zij geen andere opdrachtgevers heeft.
[appellante] heeft op 13 oktober 2022 in het door Rabobank gebruikte systeem CAFE1 aangegeven dat zij geen nevenfuncties heeft.
Rabobank heeft de interne afdeling IRI onderzoek laten doen naar [appellante] . Met [appellante] en betrokkenen is gesproken. Dit heeft er onder meer in geresulteerd dat de opdracht aan [appellante] door Magnit (voorheen Brainnet) is beëindigd per 26 november 2023. Verder heeft Rabobank in een brief van 23 januari 2024 aan [appellante] meegedeeld dat met ingang van 10 oktober 2023 haar gegevens, voor de duur van twee jaar en uitsluitend voor pre-employment screeningen, zijn opgenomen in het IR en het EVR (en voor de duur van acht jaar in het Intern Verwijzingsregister). Als reden voor de opname is vermeld: “U hebt als inhuurmedewerker bij Rabobank niet voldaan aan de verplichting om uw nevenfuncties/-werkzaamheden in CAFE te registreren. Hierover bent u op 10 oktober 2023 geïnformeerd.”