Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 15-07-2025, ECLI:NL:GHARL:2025:4381, 200.345.898

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 15-07-2025, ECLI:NL:GHARL:2025:4381, 200.345.898

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
15 juli 2025
Datum publicatie
30 oktober 2025
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2025:4381
Formele relaties
Zaaknummer
200.345.898

Inhoudsindicatie

Incidentele vorderingen. Afwijzing schorsing uitvoerbaarheid (artikel 351 Rv) en zekerheidsstelling (artikel 235 Rv). Belang ontbreekt nu de uitvoerbaarheid al is geschorst door de voorzieningenrechter. De beslissingen in verband met de over en weer ingestelde incidentele inzagevorderingen houdt het hof aan.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof: 200.345.898

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht: 562477)

arrest in het incident van 15 juli 2025

in de zaak van

De Volksbank N.V.

die is gevestigd in Utrecht

advocaat: mr. A.J. Haasjes

hierna: de Volksbank

en

Maatschap SmaVa

die is gevestigd in Beusichem

advocaat: mr. E.J. Bijleveld

hierna: SmaVa

1 Het verloop van de procedure in hoger beroep

De Volksbank en SmaVa hebben hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, (hierna: de rechtbank) op 1 mei 2024 tussen partijen heeft uitgesproken (hierna: het vonnis).1 Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:

-

de dagvaarding in hoger beroep;

-

de memorie van grieven (in het principaal hoger beroep) inclusief een incidentele vordering op grond van artikel 351 Rv, althans op grond van artikel 235 en een (toen nog voorwaardelijk) incident op grond van artikel 843a Rv (oud);

-

de memorie van antwoord in het principaal hoger beroep, tevens memorie van grieven in het incidenteel hoger beroep (vermeerdering van eis) en een (voorwaardelijk) incident op grond van de artikelen 194 Rv en/of 843a Rv (oud), alsmede een conclusie van antwoord in de incidenten van de Volksbank;

-

de antwoordconclusie in het incident van SmaVa, tevens memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep en akte van eiswijziging in het incident ex artikel 843a Rv.

2 De kern van de zaak en de voorgeschiedenis

2.1.

SmaVa is een maatschap die activiteiten ontplooit op het gebied van de aan- en verkoop en het beheer van registergoederen als duurzame beleggingen. Zij is in 2008 met de rechtsvoorganger van de Volksbank een renteswap met een looptijd van tien jaar overeengekomen die is vastgelegd in een rentederivatenovereenkomst en wil in verband daarmee compensatie van de Volksbank ontvangen.

2.2.

Na de financiële crisis van 2008 is geconstateerd dat banken in het verleden in veel gevallen de wettelijke eisen bij de advisering over derivaten aan niet-professionele partijen onvoldoende hebben nageleefd. Banken hebben daarom herbeoordelingen uitgevoerd van rentederivatenovereenkomsten. Om te voorkomen dat klanten oplossingen mislopen door onjuiste herbeoordelingen, is het Uniform Herstelkader Rentederivaten MKB (hierna: het UHK) opgesteld. In het UHK is opgenomen op welke MKB-klanten het UHK van toepassing is. Zo is onder meer vereist dat de klant niet-professioneel is in de zin van artikel 1:1 Wet op het financieel toezicht en mag de klant niet deskundig zijn. Verder is in het UHK beschreven op welke wijze de herbeoordelingen uitgevoerd moeten worden, waarbij het uitgangspunt is dat vier stappen – zoals beschreven in het UHK – gevolgd dienen te worden.

2.3.

De Volksbank is van mening dat SmaVa aan te merken valt als een deskundige klant, waardoor het UHK niet van toepassing is en SmaVa niet in aanmerking komt voor een compensatie op grond daarvan. SmaVa is het daar niet mee eens en stelt dat zij

voldoet aan alle vereisten van het UHK en dus dat zij niet deskundig is.

2.4.

Aangezien partijen niet tot een oplossing zijn gekomen, is SmaVa een procedure gestart bij de rechtbank. SmaVa heeft de rechtbank primair verzocht voor recht te verklaren dat zij onder het toepassingsgebied van het UHK valt en dat de Volksbank verplicht is om het derivaat af te wikkelen en SmaVa compensatie aan te bieden met toepassing van het UHK. Daarbij heeft SmaVa gevorderd de Volksbank te gebieden om binnen veertien dagen na het vonnis SmaVa een aanbod te doen onder het UHK, na het juist en volledig doorlopen van de vier in het UHK genoemde stappen, op straffe van verbeurte van een dwangsom.

2.5.

De rechtbank heeft de Volksbank onder andere veroordeeld om binnen vier maanden na de datum van het vonnis na het juist en volledig doorlopen van de vier in het UHK genoemde stappen SmaVa een aanbod te doen onder het UHK, op straffe van verbeurte van een dwangsom (met een maximum van € 500.000). Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

2.6.

Ter uitvoering van het vonnis heeft de Volksbank tweemaal een aanbod gedaan aan SmaVa. SmaVa meent echter dat de Volksbank daarbij het UHK niet (juist) heeft toegepast en heeft daarom aanspraak gemaakt op dwangsommen. De Volksbank is ter voorkoming van het verbeuren daarvan een executiegeschil gestart bij de voorzieningenrechter.

2.7.

In de tussentijd is de Volksbank in hoger beroep gekomen en vervolgens heeft SmaVa incidenteel hoger beroep ingesteld. Beide partijen hebben daarbij incidentele vorderingen ingesteld die zien op het verstrekken van bepaalde stukken. De Volksbank heeft daarnaast ook een incidentele vordering ingesteld waarin zij vordert dat het hof de uitvoerbaarheid van het vonnis van de rechtbank schorst, althans SmaVa te veroordelen tot het stellen van zekerheid totdat het hof een onherroepelijk eindarrest heeft gewezen.

2.8.

Het hof zal het verzoek van de Volksbank tot het schorsen van de uitvoerbaarheid van het vonnis afwijzen. De beslissingen in de inzagevorderingen houdt het hof aan. Het hof zal hierna toelichten hoe het tot die beslissingen is gekomen.

3 De toelichting op de beslissing van het hof

Het incident van de Volksbank tot schorsing van de uitvoerbaarheid van het vonnis, althans tot het stellen van zekerheid

3.1.

De Volksbank heeft een vordering ingesteld tot het schorsen van de uitvoerbaarheid van het vonnis van de rechtbank ex artikel 351 Rv, althans tot veroordeling van SmaVa tot het stellen van zekerheid in de zin van artikel 235 Rv van een bedrag van tenminste 1 miljoen euro.

3.2.

Het hof overweegt dat de eiser in het incident tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad belang moet hebben bij zijn vordering. Het hof is van oordeel dat dat in dit geval niet aan de orde is. De Volksbank is namelijk een executiegeschil gestart bij de voorzieningenrechter, waarin de Volksbank heeft gevorderd (primair) een verbod om over te gaan tot de tenuitvoerlegging van het vonnis, (subsidiair) opschorting van de uitvoerbaarheid en (meer subsidiair) opheffing of vermindering van de dwangsommen, dan wel opschorting van de looptijd hiervan. De voorzieningenrechter heeft de subsidiair gevorderde schorsing bij vonnis in kort geding van 5 maart 2025 toegewezen omdat het onduidelijk is of de Volksbank aan het bodemvonnis heeft voldaan. SmaVa is tegen dat kortgedingvonnis in hoger beroep gekomen. Ten tijde van deze uitspraak is nog niet beslist op dat hoger beroep. Het hof gaat er dan ook vanuit dat op het moment van deze uitspraak, de uitvoerbaarheid van het vonnis nog is geschorst. Gelet daarop ontbreekt het vereiste belang bij schorsing van de executie van het vonnis (en het stellen van zekerheid). Deze incidentele vordering zal daarom worden afgewezen.

Juridisch kader inzagevorderingen

3.3.

Tot 1 januari 2025 kende de wet in artikel 843a Rv (oud) de mogelijkheid om van iemand anders inzage in documenten te vragen, of een kopie of uittreksel daarvan (hierna: inzagevordering). Door de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht is artikel 843a Rv (oud) met ingang van 1 januari 2025 vervallen. Op basis van het overgangsrecht blijft dit artikel echter van toepassing in een procedure die vóór deze datum is gestart totdat de procedure bij die instantie is geëindigd. Deze procedure bij het hof is gestart vóór 1 januari 2025, zodat het hof de inzagevordering van zowel de Volksbank als van SmaVa zal beoordelen aan de hand van artikel 843a Rv (oud).

3.4.

Voor de toepassing van artikel 843a Rv (oud) gelden de volgende eisen:

-

de verzoeker moet rechtmatig belang hebben bij de inzage, afschrift of uittreksel;

-

het moet gaan om bescheiden over een rechtsverhouding waarbij de verzoeker partij is;

-

het moet gaan om specifieke gegevens die de verzoeker niet heeft, maar de ander wel.

De verzoeker heeft soms, in het licht van de omstandigheden van het geval en met inachtneming van de belangen van de betrokken partijen, toch geen recht op deze gegevens als op een andere manier net zo goed bewijs kan worden geleverd of als de ander een sterk argument heeft om te weigeren.

De inzagevorderingen van zowel de Volksbank als SmaVa

3.5.

De Volksbank heeft in haar memorie van grieven ook een voorwaardelijke inzagevordering ingesteld, die zij later heeft gewijzigd naar een onvoorwaardelijke vordering. De Volksbank heeft afschriften van stukken gevorderd die zien op (samengevat) de vermogenspositie en het financiële beleid van (de maten van) SmaVa in 2008, de (uitbetaling van de) schikking die SmaVa heeft getroffen met Propertize, de wijze waarop SmaVa zelf meent dat het aanbod onder het UHK dient te luiden en de aanbiedingen van andere banken aan Smava en heeft haar belang daarbij toegelicht.

3.6.

SmaVa heeft ook een voorwaardelijke vordering ingesteld tot het verstrekken van afschriften door de Volksbank, ingeval het hof de Volksbank niet op grond van artikel 22 Rv zal gebieden de desbetreffende stukken te verstrekken. Het gaat om afschriften van geanonimiseerde aanbiedingen onder het UHK van de Volksbank aan alle andere klanten die ook een derivaat bij de Volksbank hadden, maar waarbij de lening was afgesloten bij Propertize met een looptijd tot na 1 januari 2014. Daarnaast wil SmaVa afschriften ontvangen van alle correspondentie en overige tussen de Volksbank en de externe dossierbeoordelaar (hierna: de EDB) uitgewisselde stukken, waaronder in elk geval het assurance-rapport van de EDB, die betrekking hebben op SmaVa in de periode 1 januari 2017 tot en met heden. SmaVa heeft haar belang daarbij toegelicht.

3.7.

Het hof laat in dit stadium van de procedure de inhoudelijke beoordeling in het midden van de vordering van SmaVa tot toepassing van artikel 22 Rv en van de (al dan niet voorwaardelijke) incidentele vorderingen van beide partijen tot het verstrekken van afschriften van stukken. Zowel in het principaal als in het incidenteel hoger beroep zijn namelijk de memories over en weer al genomen. Binnen afzienbare tijd zal het hof de hoofdzaak aan de hand daarvan inhoudelijk behandelen en zicht krijgen op de reikwijdte van deze incidentele vorderingen. Het ligt daarom voor de hand om deze incidentele vorderingen gelijktijdig te behandelen met de vorderingen in de hoofdzaak. Daarbij zal dan de vraag aan de orde komen of het hof en de partijen (al dan niet met toepassing van artikel 22 Rv) over nadere stukken moeten kunnen beschikken en zo ja, welke. Nu de zaak naar het oordeel van het hof ook niet meebrengt dat op deze incidentele vorderingen eerst en vooraf moet worden beslist (artikel 209 Rv), zal het hof de beslissing daarover aanhouden.

De conclusie

3.8.

Het hof wijst de incidentele vordering van de Volksbank tot het schorsen van de uitvoerbaarheid van het vonnis af en houdt de beslissing over de proceskosten aan tot hierover bij eindarrest zal worden beslist.

3.9.

De beslissingen in verband met de (al dan niet voorwaardelijke) incidentele inzagevorderingen van zowel de Volksbank als SmaVa houdt het hof aan.

3.10.

De hoofdzaak zal worden voortgezet in de stand waarin deze zich volgens het roljournaal bevindt. Verder zal het hof iedere beslissing aanhouden.

4 De beslissing