Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 23-09-2025, ECLI:NL:GHARL:2025:5848, 200.342.365/01
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 23-09-2025, ECLI:NL:GHARL:2025:5848, 200.342.365/01
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 23 september 2025
- Datum publicatie
- 30 september 2025
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2025:5848
- Zaaknummer
- 200.342.365/01
Inhoudsindicatie
Doorstart gefailleerde zorgkliniek. Is de betrokken zorgondernemer de overeenkomst met de curator waarbij de voorwaarden voor een doorstart zijn afgesproken – waaronder afdracht van ontvangen zorgvergoedingen aan de boedel – hoofdelijk (‘in privé’) aangegaan naast de stichting waarvan hij bestuurder was, dan wel slechts als borg voor het geval de stichting geen verhaal zou bieden?
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.342.365/01
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 563491
arrest in de hoofdzaak en in het incident van 23 september 2025
in de zaak van
1 Stichting Kop & Lijf
die is gevestigd in Bussum
hierna: de stichting
en
2. [appellant2]
die woont in [woonplaats1]
(tevens) eiser in het incident
hierna: [appellant2]
die hoger beroep hebben ingesteld
en bij de rechtbank optraden als gedaagden
hierna: samen [appellanten] en afzonderlijk de stichting en [appellant2]
advocaat: mr. M.H.M. Deppenbroek die kantoor houdt in Doetinchem
tegen
mr. Henricus Maria Eijking q.q., curator in het faillissement van Kliniek
Kop & Lijf B.V.
die is gevestigd in Naarden-Vesting
geïntimeerde in de hoofdzaak, verweerder in het incident
en die bij de rechtbank optrad als eiser
hierna: de curator
advocaat: mr. N. Wilderink die kantoor houdt in Naarden-Vesting
1 Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep
Naar aanleiding van het arrest van 17 december 2024 heeft op 7 mei 2025 een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen, met het verzoek eerder arrest te wijzen in het door [appellant2] opgeworpen incident.
Bij arrest van 20 mei 2025 heeft het hof de incidentele vordering van [appellant2] tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis, dan wel dat aan de tenuitvoerlegging de voorwaarde van zekerheidsstelling wordt gesteld, afgewezen.
De beslissing over de proceskosten in het incident is aangehouden totdat is beslist in de hoofdzaak.
Naar aanleiding van het tussenarrest van 1 juli 2025, heeft [appellanten] zich bij akte van 5 augustus 2025 uitgelaten over hetgeen de curator in randnummer 59 van zijn memorie van antwoord het hof had verzocht met betrekking tot de ingangsdatum waarover de wettelijke rente dient te worden berekend.
Het hof doet vandaag (eind)uitspraak in zowel het incident als in de hoofdzaak.
2 De kern van de zaak
[appellant2] is een zorgondernemer met belangen in verschillende rechtspersonen, waaronder een (inmiddels gefailleerde) kliniek van waaruit zorg werd verleend en een stichting via welke de kliniek werd betaald voor de verleende zorg. Na het faillissement van de kliniek heeft [appellant2] met de curator gesproken over een doorstart met behulp van zijn stichting en door middel van een door [appellant2] nieuw op te richten werkmaatschappij. Het geschil draait om de vraag of [appellant2] de overeenkomst met de curator waarbij de voorwaarden voor een doorstart zijn afgesproken – waaronder afdracht van ontvangen zorgvergoedingen aan de boedel – hoofdelijk (‘in privé’) is aangegaan naast de stichting, dan wel slechts als borg voor het geval de stichting geen verhaal zou bieden.