Home

Gerechtshof Arnhem, 29-04-2003, AH9916, 02/01531

Gerechtshof Arnhem, 29-04-2003, AH9916, 02/01531

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
29 april 2003
Datum publicatie
16 juli 2003
ECLI
ECLI:NL:GHARN:2003:AH9916
Zaaknummer
02/01531

Inhoudsindicatie

De beschikking heeft betrekking op de vrijstaande woning (..) die deel uitmaakt van het op de voet van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de in artikel 1, derde lid, onderdeel b, van die Wet bedoelde voorwaarden. Belanghebbende (..) is van mening dat de zogenaamde instandhoudingsfactor op 65% in plaats van op 80% dient te worden gesteld.

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

vierde enkelvoudige belastingkamer

nummer 02/01531 (WOZ)

Proces-verbaal mondelinge uitspraak

belanghebbende : [X]

te : [Z]

ambtenaar : heffingsambtenaar van de gemeente Rheden

aangevallen beslissing : uitspraak d.d. 11 februari 2002 op bezwaar

nummer WOZ-beschikking : [1] (gebruiker)

dagtekening WOZ-beschikking : 27 april 2001

tijdvak " : 1 januari 2001 tot en met 31 december 2004

mondelinge behandeling : op 16 april 2003 te Arnhem door mr. Matthijssen, raadsheer, in tegenwoordigheid van mr. Nuboer als griffier

waarbij verschenen : belanghebbende alsmede [de Ambtenaar]

gronden:

1. De beschikking heeft betrekking op de vrijstaande woning (bouwjaar 1954) [a-weg 1 te Z] die deel uitmaakt van het op de voet van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed [b] dat voldoet aan de in artikel 1, derde lid, onderdeel b, van die Wet bedoelde voorwaarden.

2. De Ambtenaar heeft ter ondersteuning van zijn standpunt een taxatierapport overgelegd.

3. De taxateur heeft, met toepassing van artikel 18, derde lid, Wet WOZ (hierna: de Wet) in verbinding met artikel 2, aanhef en onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet waardering onroerende zaken, de waarde van het landgoed, behoudens het huisperceel van 350 m2, bij de waardebepaling buiten aanmerking gelaten. Het rapport vermeldt als de in artikel 17, vierde lid, van de Wet bedoelde bestemmingswaarde van de woning € 227.797 (ƒ 502.000).

4. Het rapport geeft onder punt 7 de volgende waardeopbouw van het getaxeerde object:

Oppervlakte gegevens

· Totaal kadastrale oppervlakte 111.785 m2

· Totaal gebouwde oppervlakte 350 m2

Bepaling instandhoudingsfactor

· Instandhoudingsfactor gebouwd 0,80 percentage gebouwd 25%

· Instandhoudingsfactor ongebouwd 0,80 percentage ongebouwd 75%

· Totale instandhoudingsfactor 0,80

· Bestemmingswaarde gebaseerd op instandhoudingfactor 80%/

[a-weg 1] wrde ec.ver. best.wrde

Waarde woning 780 m3 ƒ 575/m3 ƒ 448.000 ƒ 358.000

Waarde kavel/ondergrond 111.785 m2/350 m2 á ƒ 300/m2 ƒ 1.146.000 ƒ 84.000

Waarde overige opstal ƒ 75.000 ƒ 60.000

Totaal waarde ƒ 1.669.000 ƒ 502.000

5. Belanghebbende, die de taxatie voor het overige niet betwist, is van mening dat de zogenaamde instandhoudingsfactor op 65% in plaats van op 80% dient te worden gesteld. Hij heeft ter ondersteuning van zijn standpunt documentatie die op het landgoed betrekking heeft, overgelegd.

Belanghebbende beroept zich, naar het Hof verstaat, tevens op het gelijkheids-beginsel.

6. Het Hof is van oordeel dat de Ambtenaar met het door hem overgelegde rapport de door hem verdedigde waarde aannemelijk maakt. Het Hof tekent hierbij aan dat de taxateur zich blijkens punt 4 (Ligging) van het rapport rekenschap heeft gegeven van de aard van het landgoed en het landgoed, naar hij ter zitting heeft medegedeeld, ook heeft bezocht.

7. De taxateur heeft naar aanleiding van belanghebbendes beroep op het gelijkheids-beginsel ter zitting inzicht gegeven in het beleid dat bij de waardering van aangewezen landgoederen door hem, ook ten behoeve van de gemeente Rheden, wordt gevolgd. Dit beleid komt er, kort samengevat, op neer dat de instandhoudings-factor voor cultuurgronden op 1, voor productiebos op 0,90 á 0,95, voor normaal bos op 0,80, voor bijzondere (bijvoorbeeld barok of renaissance) tuinen op 60% wordt gesteld.

8. Volgens de taxateur valt belanghebbendes landgoed in de categorie "normaal bos" en zijn de opstanden bij de aanwijzing ook niet als opstanden met natuurhistorische waarde aangemerkt.

9. De Ambtenaar heeft voorts gesteld (daarbij gesteund door de taxateur) dat ten aanzien van het naburige landgoed [c] per waardepeildatum 1 januari 1999 eveneens de instandhoudingsfactor 0,80 is gehanteerd. Het Hof acht deze stelling aannemelijk. Het tekent hierbij aan dat het Hof in zijn uitspraak van 4 februari 1997, nr. 96/0944 inzake "[c]", voor het belastingjaar 1994, slechts heeft beslist dat er geen reden was in plaats van de destijds door de gemeente Rheden gehanteerde instandhoudingsfactor van 0,70 een lagere factor te hanteren.

10. Belanghebbende maakt met hetgeen hij aanvoert, waaronder zijn verwijzing naar de lasten die zijn verbonden aan de instandhouding van de in 1916 aangelegde tuin, van de dassenburcht, van de vijver en van de oude eikenlaan, naar het oordeel van het Hof niet aannemelijk dat bij de onderhavige waardebepaling in zijn nadeel is afgeweken van het door de gemeente Rheden bij de waardering van aangewezen landgoederen gevoerde beleid.

11. Het beroep van belanghebbende is ongegrond.

proceskosten:

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

beslissing:

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak waarvan beroep.

Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2003 door mr. Matthijssen, raadsheer, lid van de vierde enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. Nuboer als griffier.

Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.

De griffier, Het lid van de voormelde kamer,

(M.M. Nuboer) (T.J. Matthijssen)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 29 april 2003

Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van een mondelinge uitspraak mag het gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt is hiervoor griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak, komt in mindering op het griffierecht dat de griffier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.