Gerechtshof Den Haag, 15-12-2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:3815, 200.155.521/01
Gerechtshof Den Haag, 15-12-2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:3815, 200.155.521/01
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Den Haag
- Datum uitspraak
- 15 december 2015
- Datum publicatie
- 18 januari 2016
- ECLI
- ECLI:NL:GHDHA:2015:3815
- Zaaknummer
- 200.155.521/01
Inhoudsindicatie
afwikkeling van schade; registratie persoongegevens
Uitspraak
Afdeling Civiel recht
Zaaknummer: 200.155.521/01
Zaak-rolnummer rechtbank: C/09/467093 / KG ZA 14/654
Arrest in kort geding d.d. 15 december 2015
in de zaak van
de naamloze vennootschap
nationale-nederlanden schadeverzekering maatschappij n.v.,
gevestigd te Den Haag,
appellante, hierna aan te duiden als Nationale-Nederlanden,
advocaat mr. H.Th. Vos te Den Haag,
tegen
[naam 1] ,
wonende te [woonplaats],
geïntimeerde, hierna aan te duideen als [geintimeerde],
advocaat mr. R.S. Ganeshie te Rotterdam.
1 Het geding
Bij exploot van 12 augustus 2014 is Nationale-Nederlanden in hoger beroep gekomen van het vonnis van 18 juli 2014 dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag, team Handel, (hierna: de voorzieningenrechter) tussen [geintimeerde] als eiseres en Nationale-Nederlanden als gedaagde heeft gewezen. Nadat het hof bij tussenarrest van 23 september 2014 een verschijning van partijen had bevolen, welke verschijning echter geen doorgang heeft gevonden, heeft Nationale-Nederlanden bij memorie van grieven tegen het bestreden vonnis vijf grieven aangevoerd, die [geintimeerde] bij memorie van antwoord heeft bestreden. Vervolgens hebben eerst Nationale-Nederlanden en daarna [geintimeerde] nog akte gevraagd van een schriftelijke verklaring en ten slotte hebben zij hun stukken overgelegd voor arrest.
2 Vaststaande feiten
Het hof gaat van de volgende feiten als vaststaand uit omdat ze:
in het geding gesteld en niet of onvoldoende betwist zijn;
voortvloeien uit de niet weersproken inhoud van in het geding gebrachte stukken;
door de voorzieningenrechter vastgesteld en in hoger beroep niet bestreden zijn.
Op 8 februari 2009 is [geintimeerde] in de buurt van haar woning door de stoep gezakt, wat haar eerder in 2006 ook al eens was overkomen. Nationale-Nederlanden is de aansprakelijkheidsverzekeraar van de voor deze ongevallen aansprakelijke. Zij heeft voorschotuitkeringen aan [geintimeerde] gedaan en sinds eind 2010 zijn partijen met elkaar in discussie over de afwikkeling van de schade. Aanvankelijk werd [geintimeerde] daarin bijgestaan door de advocaat mr. Meijer, daarna vanaf oktober 2011 tot maart 2013 door mr. [naam 2] van het letselschadebureau Corpocon en daarna door haar huidige advocaat. Nationale-Nederlanden heeft zich bediend van het schade-expertisebureau CED tot medio 2012. In december 2011 heeft CED een bezoek aan [geintimeerde] gebracht. Zij heeft op 18 april 2012 rapport uitgebracht over op 22 en 23 maart en 7 april 2012 uitgevoerde observaties van de activiteiten van [geintimeerde].
Bij brief van 28 maart 2013 heeft Nationale-Nederlanden aan [geintimeerde] meegedeeld dat zij van mening was voldoende aan [geintimeerde] te hebben uitgekeerd en dat zij geen aanvullende uitkeringen meer ging verrichten. Voorts deelde zij mee dat zij de persoonsgegevens van [geintimeerde] had opgenomen in haar gebeurtenissenadministratie, in haar incidentenregister en in het extern verwijzingsregister en dat zij het Centrum Bestrijding Verzekeringsfraude van het Verbond van Verzekeraars daarvan op de hoogte had gebracht.
3 Inleiding tot de beoordeling van het hoger beroep
[geintimeerde] is in eerste aanleg opgekomen tegen de registratie van haar persoonsgegevens en zij heeft bij wege van voorlopige voorziening gevorderd, zakelijk weergegeven, dat die registraties ongedaan zouden worden gemaakt. Nationale-Nederlanden heeft daartegen bij pleidooi doen aanvoeren dat aan de registraties haar vaststelling ten grondslag lag dat sprake was van fraude door [geintimeerde] en dat deze Nationale-Nederlanden niet naar waarheid geïnformeerd had met het doel daardoor een hogere schade-uitkering te krijgen.
De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat het hier gaat om strafrechtelijke persoonsgegevens en dat voor de registratie daarvan als maatstaf moet worden aangelegd of de vastgestelde gedragingen een zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van schuld opleveren in die zin dat de te verwerken strafrechtelijke persoonsgegevens in voldoende mate vaststaan. Tegen dit oordeel zijn geen grieven gericht.
Vervolgens heeft de voorzieningenrechter de feiten en omstandigheden die Nationale-Nederlanden aan haar standpunt ten grondslag heeft gelegd, besproken, beoordeeld en te licht bevonden. Tegen (onderdelen van) die beoordeling richt Nationale-Nederlanden in hoger beroep haar vijf grieven waaraan zij een beroep op de niet-ontvankelijkheid van [geintimeerde] in haar vordering vooraf doet gaan.