Gerechtshof Den Haag, 05-07-2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:2243, 22-002920-14
Gerechtshof Den Haag, 05-07-2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:2243, 22-002920-14
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Den Haag
- Datum uitspraak
- 5 juli 2016
- Datum publicatie
- 26 juli 2016
- ECLI
- ECLI:NL:GHDHA:2016:2243
- Formele relaties
- Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:1008, Bekrachtiging/bevestiging
- Zaaknummer
- 22-002920-14
Inhoudsindicatie
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling van aangever. Voorts heeft de verdachte zich samen met een ander schuldig gemaakt aan het wegnemen van een pinpas uit de woning van een bejaarde vrouw door middel van een doortrapte babbeltruc.
Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden.
Uitspraak
Rolnummer: 22-002920-14
Parketnummer: 09-817682-14
Datum uitspraak: 5 juli 2016
TEGENSPRAAK
Gerechtshof Den Haag
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 30 juni 2014 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1994,
[adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 14 november 2014 en 21 juni 2016.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte van het onder 4 ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts is beslist dat het onder 3 bewezen verklaarde geen strafbaar feit oplevert en is de verdachte te dier zake ontslagen van alle rechtsvervolging. Voorts is beslist omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep ter zake van de feiten 3 en 4 - ten laste gelegd dat:
1:
hij op of omstreeks 18 januari 2014 te Noordwijk tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, aan een persoon genaamd [benadeelde partij 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een of meer botbreuk(en) in de kaak en/of loszittende tanden en/of (deels) geen gevoel in de onderlip en/of de kin), heeft toegebracht, door deze opzettelijk meermalen, althans eenmaal, op/tegen het gezicht, althans het hoofd, te slaan en/of stompen;
Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 18 januari 2014 te Noordwijk, in elk geval in Nederland, met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, te weten de Abraham van Royenstraat, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde partij 1], welk geweld bestond uit het:
- omringen van en/of opdringen aan die [benadeelde partij 1] en/of - het duwen van die [benadeelde partij 1] en/of
- meermalen, althans eenmaal, slaan en/of stompen tegen/op het gezicht, althans hoofd, van die [benadeelde partij 1];
2:
hij op of omstreeks 21 augustus 2013 te Monster, gemeente Westland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (vanuit een woning, gelegen aan de Wingerdhof) heeft weggenomen een pinpas, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);
3:
hij op of omstreeks 25 oktober 2013 te Pijnacker, gemeente Pijnacker-Nootdorp, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [aangever] van het leven te beroven, althans opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp (met kracht en/of van korte afstand) (een) stekende beweging(en) heeft gemaakt in de richting van de borst en/of de maag van die [aangever], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
4:
hij op of omstreeks 25 oktober 2013 te Pijnacker, gemeente Pijnacker-Nootdorp, met een ander of anderen, met een ander of anderen, althans alleen, in een voor publiek toegankelijke ruimte, te weten een feestruimte aan de Nieuwkoopseweg, openlijk in vereniging geweld heeft geplaagd tegen [aangever], welk geweld bestond uit het (meermalen)
- schoppen en/of slaan van die [aangever] en/of
- in het gezicht, althans op het hoofd, slaan en/of stompen en/of
- met een mes slaan op het hoofd van die [aangever] en/of
- die [aangever] met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de borst en/of de maag steken.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Vrijspraak
Feit 3
De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte de persoon is geweest die [aangever] heeft neergestoken en dat dit dient te worden gekwalificeerd als poging tot doodslag.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Het hof stelt vast dat in de onderhavige zaak door tal van personen verklaringen zijn afgelegd. Voor zover getuigen al hebben gezien wat zich precies in de feestruimte heeft afgespeeld, zijn de verklaringen ten aanzien van het voorval niet altijd heel gedetailleerd en sluiten deze lang niet (altijd) op elkaar aan. Aangever [aangever] heeft een gedetailleerde verklaring afgelegd, waarin hij de verdachte aanwijst als degene die hem met het mes heeft gestoken. Deze verklaring vindt bevestiging in de bij de politie afgelegde verklaringen op 3 en 6 november 2013 van [getuige 1]. Bij het verhoor bij de raadsheer-commissaris heeft [getuige 1] echter verklaard dat hij niet weet door wie er is gestoken en dat hij geen mes heeft waargenomen. [getuige 2] – de DJ op het feest - heeft op 28 oktober 2013 bij de politie een gedetailleerde verklaring afgelegd waarbij hij de medeverdachte [medeverdachte] aanwijst als de dader van de steekpartij. Bij de raadsheer-commissaris heeft hij nogmaals verklaard dat hij de dikke jongen (het hof begrijpt: medeverdachte [medeverdachte]) heeft gezien met het mes.
Nu in het onderhavige dossier verklaringen aanwezig zijn die zeer gedetailleerd zijn, maar op essentiële onderdelen elkaar tegenspreken, is naar het oordeel van het hof niet met voldoende zekerheid vast te stellen wie de persoon is geweest die aangever [aangever] heeft neergestoken. De verdachte, die zelf iedere betrokkenheid ontkent, dient derhalve te worden vrijgesproken van het aan hem onder 3 ten laste gelegde.
Feit 4
Door de raadsman van de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder 4 ten laste gelegde openlijke geweldpleging. De raadsman heeft daartoe – onder meer – aangevoerd dat het in casu een besloten feest betrof en dat het niet zichtbaar was vanaf de openbare weg.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Voor een bewezenverklaring van het in vereniging openlijk geweld plegen als bedoeld in artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht dient te worden bewezen dat de gepleegde geweldshandelingen ‘openlijk’, dat wil zeggen op of aan de openbare weg, dan wel in een voor het publiek toegankelijke plaats hebben plaatsgevonden.
De getuige [getuige 3] heeft bij de politie verklaard dat die avond in het gebouw de verjaardag van haar dochter werd gevierd. Haar dochter had via WhatsApp ongeveer 40 gasten uitgenodigd. Uit het dossier volgt niet dat er op het feest niet genodigde gasten aanwezig waren. Derhalve kan naar het oordeel van het hof niet worden gesproken van een voor het publiek toegankelijke plaats. Voorts volgt uit het dossier dat voorafgaand aan de geweldshandelingen de deuren van de feestzaal dicht zijn gedaan. Uit het dossier volgt verder niet dat de gepleegde geweldshandelingen zichtbaar waren voor omstanders vanaf de openbare weg, zodat ook in die zin niet kan worden van ‘openlijk’ in de zin van artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht.
Nu dit onderdeel van de tenlastelegging niet kan worden bewezen, dient de verdachte van dit feit te worden vrijgesproken.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1:
hij op of omstreeks 18 januari 2014 te Noordwijk tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, aan een persoon genaamd [benadeelde partij 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een of meer botbreuk(en) in de kaak en/of loszittende tanden en/of (deels) geen gevoel in de onderlip en/of de kin), heeft toegebracht, door deze opzettelijk meermalen, althans eenmaal, op/tegen het gezicht, althans het hoofd, te slaan en/of stompen;
2:
hij op of omstreeks 21 augustus 2013 te Monster, gemeente Westland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (vanuit een woning, gelegen aan de Wingerdhof) heeft weggenomen een pinpas, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan
[benadeelde partij 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s).
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Nadere bewijsoverweging
Feit 1 primair
Ter terechtzitting in hoger beroep is door de raadsman betoogd dat niet is komen vast te staan dat aangever als gevolg van de klap van de verdachte een gebroken kaak heeft opgelopen.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Door de getuige [getuige 4], werkzaam als portier bij de discotheek op 18 januari 2014, is verklaard dat hij omstreeks 02:30 uur zag dat aangever langsliep met vier of vijf jongens. Hij heeft verklaard dat aangever in gesprek was met de jongens en dat ze de Abraham van Royenstraat inliepen. De getuige [getuige 5] heeft verklaard dat hij aangever rond datzelfde tijdstip heeft zien praten met ongeveer vier jongens en dat het in ieder geval niet klonk als ruzie of zo. Hij heeft kort daarna drie jongens, van wie één in elk geval hoorde bij het groepje waarmee aangever had staan praten, ter hoogte van de Abraham van Royenstraat zien staan.
Het hof stelt vast dat het tijdstip waarover de getuigen verklaren overeenkomt met het tijdstip waarop aangever de discotheek is uitgezet en dat geen van beide getuigen melding maakt van enige verwonding aan het gezicht van aangever in dit stadium. Voorts duidt de omstandigheid dat zij aangever hebben horen praten er ook op dat hij op dat moment het aanzienlijke letsel aan zijn kaak nog niet had opgelopen. Het hof is dan ook, anders dan door de raadsman betoogd, van oordeel dat kan worden uitgesloten dat aangever het ten laste gelegde letsel op een eerder moment heeft opgelopen.
Voorts kan naar het oordeel van het hof worden uitgesloten dat aangever daarna door iemand anders dan door de verdachte is geslagen. Het hof overweegt daartoe dat uit de verklaringen van de verdachte zelf kan worden opgemaakt dat hij vanaf de Grent met aangever de Abraham van Royenstraat is ingelopen en dat de verdachte aangever een klap heeft gegeven toen ze de hoek om waren. De getuige [getuige 6] heeft verklaard dat hij de jongens na deze klap, die hij omschrijft als hard en dof, continu in het oog heeft gehouden en dat er verder niemand heeft geslagen. Ook de getuige [getuige 7] heeft verklaard dat slechts één van zijn vrienden de jongen heeft geslagen.
Het hof acht, gelet op het voorgaande, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij aangever opgelopen zwaar lichamelijke letsel heeft toegebracht.
Feit 2
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit – overeenkomstig zijn in het dossier gevoegde pleitnota - dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde feit, nu de enkele aanwezigheid van de verdachte in de woning van aangeefster onvoldoende is om medeplegen van diefstal aan te nemen.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Uit de gedetailleerde door aangeefster afgelegde verklaring kan worden afgeleid dat naast de medeverdachte [medeverdachte] de verdachte een belangrijke rol heeft gespeeld bij de diefstal. Het hof heeft geen enkele reden om aan de juistheid van haar verklaring te twijfelen. Op grond van haar verklaring is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte een dusdanig substantiële bijdrage heeft geleverd aan het wegnemen van de pinpas dat sprake is van medeplegen van het wegnemen daarvan. Daarbij speelt voor het hof tevens mee dat de verdachte en zijn medeverdachte tegenover de aangifte een nogal ongeloofwaardig en deels onderling tegenstrijdig verhaal plaatsen over de wijze waarop zij met de aangeefster in contact zouden zijn gekomen.
Kwalificatie van het bewezen verklaarde
Het onder 1 bewezen verklaarde levert op: