Home

Gerechtshof Den Haag, 14-09-2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:2737, 200.176.394/01 en 200.176.398/01

Gerechtshof Den Haag, 14-09-2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:2737, 200.176.394/01 en 200.176.398/01

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
14 september 2016
Datum publicatie
21 september 2016
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2016:2737
Zaaknummer
200.176.394/01 en 200.176.398/01

Inhoudsindicatie

Academisch gevormde vrouw moet binnen drie jaar volledig in haar eigen levensonderhoud voorzien. Alimentatie wordt na drie jaar op nihil gesteld.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 14 september 2016

Zaaknummers : 200.176.394/01 en 200.176.398/01

Rekestnummers rechtbank : FA RK 14-7121 en FA RK 15-406

Zaaknummers rechtbank : C/10/458483 en C/10/468175

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster, tevens incidenteel verweerster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. drs. J.F.M. van Weegberg te Den Haag,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder, tevens incidenteel verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. I. de Vink te Rijswijk.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vrouw is op 10 september 2015 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 12 juni 2015 van de rechtbank Rotterdam.

De man heeft op 3 november 2015 een verweerschrift ingediend tevens inhoudende incidenteel hoger beroep en wijziging van eis.

De vrouw heeft op 17 december 2015 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend

De vrouw heeft op 16 november 2015 een verzoek ingediend tot het vaststellen van een voorlopige voorziening voor de duur van het hoger beroep als bedoeld in artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Dit verzoek is bij het hof bekend onder zaaknummer 200.176.394/02.

Bij beschikking van 17 februari 2016 heeft het hof - voor zover hier van belang - bij wijze van voorlopige voorziening de door de man aan de vrouw voor de duur van het geding te betalen uitkering tot levensonderhoud bepaald op € 2.082- per maand, met ingang van 1 december 2015.

In de hoofdzaak zijn bij het hof voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de vrouw:

- op 22 september 2015 een brief van diezelfde datum met als bijlage een V-formulier van eveneens diezelfde datum met bijlagen;

- op 14 juni 2016 een brief van diezelfde datum met als bijlage een V-formulier van eveneens diezelfde datum met bijlagen;

- op 23 juni 2016 een brief van diezelfde datum met als bijlage een V-formulier van eveneens diezelfde datum met bijlage;

- op 23 juni 2016 een brief van diezelfde datum met bijlage.

van de zijde van de man:

- op 9 juni 2016 een V-formulier van 8 juni 2016 met bijlagen.

De zaak is op 24 juni 2016 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat.

De advocaten van beide partijen hebben ter zitting pleitnotities overgelegd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking heeft de rechtbank de echtscheiding uitgesproken en ten laste van de man aan de vrouw een uitkering tot levensonderhoud toegekend van € 2.082,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen voor het eerst op de dag dat de echtscheidingsbeschikking is of zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand tot 1 december 2015. Voorts heeft de rechtbank de verdeling gelast op de wijze zoals in de beschikking weergegeven en is de beschikking, behalve ten aanzien van de echtscheiding, uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het meer of anders verzochte is afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

In hoger beroep is voorts komen vast te staan dat de echtscheidingsbeschikking op 30 oktober 2015 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Hieronder zal het hof zo nodig op hele getallen afronden.

BEOORDELING

1. In geschil zijn de uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw (hierna ook: partneralimentatie) en de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap.

2. De vrouw verzoekt het hof, uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het betreft de partneralimentatie en de duur tot 1 december 2015, de verdeling van de gemeenschap en de afwijzing van de overige verzoeken van de vrouw en opnieuw rechtdoende:

inzake de partneralimentatie

te bepalen dat de man aan de vrouw een bijdrage in haar kosten van levensonderhoud zal voldoen van € 5.554,- bruto per maand, althans een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag, met ingang van 30 oktober 2015, althans met ingang van een door het hof in goede justitie te bepalen datum en het verzoek van de man met betrekking tot limitering/nihilstelling alsnog af te wijzen;

inzake de verdeling

de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap van partijen vast te stellen, zoals door de vrouw in eerste aanleg en in hoger beroep naar voren is gebracht, en de vergoeding wegens overbedeling vast te stellen, alsmede de man te bevelen inzicht te geven in de omvang en samenstelling van de gemeenschap, althans een door het hof in goede justitie te bepalen verdeling vast te stellen en door het hof in goede justitie te bepalen bevelen te geven;

inzake de benadeling

de man te bevelen de benadeling van de gemeenschap op te heffen door de bedragen die hij heeft overgeboekt naar voor de vrouw onbekende rekeningen van, onder anderen, [rekeningnummer] , terug te storten, dan wel in het kader van deze verdeling te bepalen dat de man de helft van deze bedragen zal voldoen aan de vrouw, althans een door het hof in goede justitie te bepalen beslissing te nemen;

inzake de informatieverstrekking en inzage

de man te bevelen informatie te verstrekken en inzage te verschaffen in de boedelbestanddelen van partijen, onder andere door overlegging van bewijsstukken van bijvoorbeeld polissen van verschillende (levens)verzekeringen, de opeenvolgende bankafschriften en saldi van alle bankrekeningen in de periode 1 januari 2013 tot aan de peildatum en de belastingaangiften en belastingaanslagen inkomstenbelasting over de jaren 2012, 2013, 2014, 2015, zoals door de vrouw in hoger beroep nader uiteengezet, zulks op straffe van verbeurte van de bestanddelen aan de vrouw, indien de man blijkt bestanddelen achter te houden, als bedoeld in artikel 3:194 lid 2 BW, althans een door het hof in goede justitie te bepalen beslissing te nemen en door het hof in goede justitie te bepalen bevelen te geven,

kosten rechtens.

3. De man verzoekt bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

in het principale hoger beroep

de grieven van de vrouw tegen de bestreden beschikking te verwerpen en haar verzoeken in hoger beroep af te wijzen

in het incidentele beroep

-

de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw recht doende het verzoek van de vrouw om een bijdrage in haar kosten van levensonderhoud alsnog geheel dan wel gedeeltelijk af te wijzen, dan wel indien wordt bepaald, dat de man aan de vrouw een bijdrage in haar kosten van levensonderhoud zal dienen te voldoen, de beslissing van de rechtbank, dat de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud zal eindigen op 1 december 2015, te handhaven, alsmede om de verdeling van de tussen partijen bestaande huwelijksgemeenschap alsnog vast te stellen op de wijze als door de man onder 51 tot en met 58 van zijn verweerschrift tevens inhoudende zelfstandige verzoeken was omschreven;

-

te bepalen, dat de vrouw de door de man aan de vrouw betaalde bedragen aan partneralimentatie over de periode van 1 maart tot met 30 november 2015 binnen twee weken na de datum van de in dezen te wijzen beschikking aan de man dient terug te betalen, althans de partneralimentatie op basis van een gewijzigde behoefte van de vrouw met terugwerkende kracht te wijzigen en met ingang van 1 maart 2015, althans 1 april 2015, althans met ingang van een zodanige datum en op een zodanig bedrag als het hof in goede justitie zal vermenen te behoren, met verplichting tot restitutie van de te veel ontvangen alimentatie door de vrouw aan de man, binnen een nader door het hof te bepalen termijn, welk bedrag nog nader door het hof zal worden vastgesteld, vermeerderd met de wettelijke rente berekend vanaf de wijzigingsdatum en vervolgens periodiek per vervallen maand, tot aan de dag der algehele voldoening.

Kosten rechtens.

4. De vrouw verzet zich daartegen en verzoekt het hof, uitvoerbaar bij voorraad, het incidentele beroep en de wijziging van eis van de man ongegrond te verklaren, althans zijn beroep en wijziging van eis af te wijzen. Kosten rechtens.

Partneralimentatie

Behoefte

5. De vrouw is van mening dat de rechtbank haar behoefte aan een bijdrage van de man te laag heeft vastgesteld en onder meer rekening had moeten houden met een post autokosten van € 252,- per maand. De vrouw legt in hoger beroep als productie 1M een nieuw behoeftelijst over, waaruit een behoefte blijkt van € 5.554,- per maand.

6. De man grieft eveneens tegen de door de rechtbank vastgestelde behoefte van de vrouw aangezien deze in zijn ogen te hoog is. De man betwist in hoger beroep de volgende maandelijkse posten:

- de autokosten ad € 252,-

- de huurlasten ad € 800,-

- reservering voor vakanties ad € 275,-

- kleding ad € 100,- per maand

- welstandsuitgaven ad € 645,-

- aflossing schuld aan ouders van de vrouw ad € 150,-.

7. Niet in geschil is de wijze waarop de vrouw in productie 1M haar behoefte heeft berekend door ook de bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag ad € 961,- per maand bij haar behoefte op te tellen en vervolgens op de woonlasten de gemiddelde basishuur van € 227,- per maand in aftrek te brengen en de ziektekosten te corrigeren voor het nominaal deel Zorgverzekeringswet van € 39,- per maand. Het hof zal derhalve bij deze wijze van berekening aansluiten.

De opgevoerde ziektekosten van afgerond € 133,- per maand (na correctie voor het nominaal deel Zorgverzekeringswet) zijn evenmin in geschil. Ditzelfde geldt voor de post contributies van € 50,- per maand.

8. Het hof overweegt ten aanzien van de autokosten als volgt. Uit de overgelegde stukken (productie 15) blijkt genoegzaam dat de vrouw thans een [merknaam] heeft en dat zij de lasten daarvan (onder andere verzekering en wegenbelasting) betaalt. Het hof acht het derhalve redelijk rekening te houden met een bedrag aan autokosten van € 150,- per maand.

9. Ter zake de huurlasten neemt het hof een genoegzaam onderbouwd bedrag van € 800,- per maand in aanmerking, welke bedrag het hof in overeenstemming acht met de welstand van partijen tijdens het huwelijk. Gelet op hetgeen hierboven is overwogen, komt de gemiddelde basishuur hierop nog in aftrek zodat resteert een bedrag van 573,- per maand.

10. Het hof stelt het bedrag voor vakanties in redelijkheid vast op € 200,- per maand. Vaststaat dat de vrouw regelmatig naar [a-land] reist. Voor zover de man de post kleding betwist, overweegt het hof dat het opgevoerde bedrag van € 100,- per maand alleszins redelijk acht en hiermee rekening zal houden.

11. Het hof houdt geen rekening met de opgevoerde post overige welstandsuitgaven van in totaal € 645,- per maand. Het hof acht deze post onvoldoende onderbouwd, temeer nu de man deze kosten expliciet heeft betwist en onderdeel van het debat heeft gemaakt. Het hof heeft de advocaat van de vrouw in de eerste termijn van de terechtzitting in de gelegenheid gesteld voormelde welstandsuitgaven nader toe te lichten. Deze volstond echter met een verwijzing naar de in de artikel 223 Rv procedure overgelegde stukken en heeft ook overigens - daartoe nogmaals door het hof in de gelegenheid gesteld - geen afdoende onderbouwing voor deze kosten kunnen geven, in het bijzonder de noodzaak daarvan.

12. Het hof laat de post aflossing schulden van € 150,- per maand buiten beschouwing nu deze schuld - die ziet op een hierna te bespreken lening van de vrouw bij haar ouders - een gemeenschapsschuld betreft die in het kader van de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap door beide partijen moet worden gedragen.

13. Gelet op het vorenstaande berekent het hof de behoefte van de vrouw op een bedrag van € 2.167,- netto per maand.

Behoeftigheid

Draagkracht

Ingangsdatum

Terugbetaling te veel ontvangen partneralimentatie

Verdeling

Bewijsaanbod

Proceskosten