Home

Gerechtshof Den Haag, 27-06-2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:3236, 200.192.885/01

Gerechtshof Den Haag, 27-06-2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:3236, 200.192.885/01

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
27 juni 2017
Datum publicatie
20 november 2017
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2017:3236
Formele relaties
Zaaknummer
200.192.885/01

Inhoudsindicatie

Boek ‘De gekooide recherche’; Vraag of er sprake is van een schending van het ambtsgeheim, schending van het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en/of schending van de Wet bescherming persoonsgegevens.

Uitspraak

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.192.885/01

Zaaknummer rechtbank : C/09/495805 / HA ZA 15-1034

arrest van 27 juni 2017

inzake

[naam 1] ,

wonende op een geheim adres,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. D.I.N. Levinson-Arps te Middelburg,

tegen

1 DE STAAT DER NEDERLANDEN,

zetelend te Den Haag,

advocaat: mr. W. Heemskerk te Den Haag,

2. DE NATIONALE POLITIE,

zetelend te Den Haag,

advocaat: mr. W. Heemskerk te Den Haag,

3. [geïntimeerde 3],

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. J.A. Dullaart te Den Haag,

geïntimeerden,

hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden]

1 Het geding

1.1.

Bij exploten van 13 juni 2016 heeft [appellant] [geïntimeerden] aangezegd dat hij in hoger beroep komt van twee door de rechtbank Den Haag tussen partijen gewezen vonnissen van 18 november 2015 en 23 maart 2016 en van het proces-verbaal van de comparitie van partijen die de rechtbank heeft gehouden in de zaak die heeft geleid tot die vonnissen. In de dagvaarding met producties heeft [appellant] een aantal, niet genummerde grieven aangevoerd. Omdat onvoldoende duidelijk was of [appellant] in de dagvaarding ook een incident had opgeworpen heeft het hof [appellant] in de gelegenheid gesteld een incidentele memorie te nemen. Bij incidentele memorie heeft [appellant] vervolgens een provisionele vordering ingesteld, verzocht om behandeling achter gesloten deuren en om niet-openbaarmaking van zijn identiteit, en voorgesteld een prejudiciële vraag voor te leggen aan de Hoge Raad. Bij incidentele antwoordmemorie heeft [geïntimeerde 3] gereageerd op de provisionele vordering en de verzoeken. Daarna heeft [geïntimeerde 3] bij memorie van antwoord met producties de grieven bestreden. De Staat en de politie hebben een memorie van antwoord, tevens antwoordmemorie in het incident genomen, waarin zij de incidentele vorderingen en verzoeken en de grieven bestrijden.

1.2.

Vervolgens hebben partijen op 6 februari 2017 de zaak zowel in de hoofdzaak als in het incident doen bepleiten, [appellant] door zijn hiervoor genoemde advocaat, [geïntimeerde 3] door mr. A. P. Groen, advocaat te Amsterdam, en de Staat en de politie door hun hiervoor genoemde advocaat, allen aan de hand van overgelegde pleitnotities. Op die datum heeft [geïntimeerde 3] een akte overlegging producties genomen en [appellant] een akte uitlating producties, tevens houdende eisvermeerdering en akte overlegging producties. Ten slotte hebben partijen arrest gevraagd.

2 De feiten

2.1.

De feiten die de rechtbank heeft vastgesteld in paragraaf 2 van het vonnis van 23 maart 2016 zijn niet in geschil. Die feiten zal het hof hierna overnemen. Op de aanvullingen die [appellant] heeft voorgesteld in de memorie van grieven, zal, voor zover relevant, worden ingegaan bij de beoordeling van de zaak in paragraaf 4 van dit arrest.

2.2.

Op 24 maart 2015 is het door uitgeverij Prometheus (hierna: de uitgever) uitgegeven en door [geïntimeerde 3] geschreven boek ‘De Gekooide Recherche. Het ware verhaal achter de matige prestaties van de Nederlandse opsporing’ (hierna: ‘het boek’) verschenen.

2.3.

[geïntimeerde 3] heeft het boek geschreven over en naar aanleiding van zijn ervaringen gedurende de periode (van 1 mei 2004 tot eind januari 2014) dat hij werkzaam was bij de recherche van het regiokorps Amsterdam-Amstelland.

2.4.

De uitgever heeft het boek als volgt omschreven:

Als [geïntimeerde 3] in 2004 financieel rechercheur bij de Amsterdamse politie wordt, kan hij meteen vol aan de bak. Precies twee weken later wordt witwasfenomeen [naam 2] voor zijn kantoor aan de Apollolaan in Amsterdam-Zuid geliquideerd. Het zal het begin blijken van een onderzoek naar de afpersing van [naam 2] door [naam 3] .

[geïntimeerde 3] doet jarenlang onderzoek naar witwassen van die afgeperste miljoenen door de ogenschijnlijk onkreukbare kasteelheer [naam 4] , de tot dan toe onomstreden eigenaar van de halve P.C. Hoofdstraat. Daarna werkt [geïntimeerde 3] mee aan andere rechercheonderzoeken naar witwassen, oplichting, verduistering en valsheid in geschrifte binnen de georganiseerde criminaliteit en de 'bovenwereld'.

Behalve zichtbare successen - arrestaties, beslagleggingen en veroordelingen - ziet hij ook talrijke bottlenecks en zwakke plekken binnen de opsporing. Daarnaast constateert hij hoe de sociale cultuur binnen de organisatie de eigen slagvaardigheid schaadt en hoe de organisatie zichzelf dwarszit in de uitoefening van haar taken; misdrijven oplossen en de criminaliteit beheersen.

Na tien jaar besluit [geïntimeerde 3] , met pijn in het hart, de recherche te verlaten en zijn bevindingen op papier te zetten. De gekooide recherche is zijn spannende, kritische en soms ronduit onthutsende verhaal, van binnenuit geschreven, over de gang van zaken bij de Amsterdamse recherche.

2.5.

[appellant] figureert met naam en toenaam in hoofdstuk V, getiteld ‘Het kerkhof van

kansrijke zaken’ en hoofdstuk VI, getiteld ‘Zand in de machine’. Daarnaast bevat het boek een foto van een herkenbaar afgebeelde [appellant] .

2.6.

In de hoofdstukken V en VI wordt een aantal onderzoeken beschreven waarbij [geïntimeerde 3] als rechercheur betrokken was en waarin [appellant] figureert, onder meer het in 2008 uitgevoerde onderzoek naar [appellant] , dat heeft geleid tot veroordeling van [appellant] bij vonnis van 23 juni 2009 tot een gevangenisstraf van 42 maanden ter zake van oplichting, verduistering, valsheid in geschrifte en witwassen (hierna: ‘het strafvonnis’). Deze veroordeling is na daartegen ingesteld hoger beroep en cassatie onherroepelijk. [appellant] heeft de opgelegde gevangenisstraf uitgezeten.

2.7.

[appellant] had voordat het boek verscheen al met naam en toenaam gefigureerd in verschillende publicaties, onder meer (niet uitputtend):

 ‘Nepadvocaat tilt weduwe [naam 2] ’, Nieuwe Revue, 15 mei 2008;

 ‘BN'ers opgelicht na arrestatie glamouradvocaat’, Story, 25 maart 2008;

 ‘Oplichter weduwe [naam 2] gepakt’, De Telegraaf, 16 maart 2008;

 ‘Vier jaar geëist tegen vermeende oplichter weduwe [naam 2] ’, website Quote, 20 mei 2009;

 ‘Oplichter in glamourland’, Nieuwe Revue, 21 mei 2008;

 ‘Oplichter van weduwe [naam 2] veroordeeld tot 3,5 jaar cel’, website Quote, 23 juni 2009;

 ‘Leven en werk van een meesteroplichter’, Nieuwe Revue, 8 juli 2009;

 ‘ [Prinses] in de klauwen van meesteroplichter’, Privé, 15 juli 2009;

 ‘Ook voor [naam 5] is jetsetleven nu voorbij’, Algemeen Dagblad, 17 december 2011.

Deze publicaties worden hierna aangeduid als: ‘de publicaties’.

2.8.

Voorts was in 2009 ook al een boek verschenen waarin [appellant] figureert, te weten ‘De Club van Dollars’, geschreven door [auteur 1] en [auteur 2] . Op basis van dit boek zijn verschillende andere publicaties verschenen, waarin [appellant] met naam en toenaam wordt genoemd en wordt gekwalificeerd als ‘meesteroplichter’ en ‘sterrenoplichter’.

2.9.

In het strafvonnis heeft de rechtbank bij het verwerpen van het namens [appellant] gevoerde verweer dat sprake was van trial by media onder meer overwogen:

Voor verdachte geldt dat hij door eigen toedoen - in het verleden én als het gaat om de feiten die in deze strafzaak een rol spelen - ook zelf een publiek persoon is geworden. Hij heeft zich in elk geval vanaf augustus 2005 veelvuldig en actief ingelaten met bij het grote publiek bekende personen en trok daarmee de belangstelling van de media. Dat rechtvaardigt een verruiming van de grenzen van toelaatbaar commentaar. Dat die ruimere grenzen zijn overschreden is niet aannemelijk geworden.

Bovendien valt uit de door de verdediging ter terechtzitting van 9 juni 2009 overgelegde knipsels voor zover zij betrekking hebben op de onderhavige strafzaak niet op te maken dat de betrokken media niet ‘accurate and reliable’ verslag hebben gedaan.

2.10.

De rechtbank heeft in het strafvonnis de aan [appellant] opgelegde straf als volgt gemotiveerd:

Verdachte heeft zich in ernstige mate schuldig gemaakt aan oplichting en in een enkel geval verduistering, valsheid in geschrift en daarnaast aan witwassen op grote schaal. De rechtbank ziet in de bewezenverklaarde feiten en hetgeen omtrent verdachte overigens gedurende de behandeling van de strafzaak bekend is geworden een steeds terugkerend patroon. Alle aangevers verklaren dat zij na kennismaking al vrij snel op (zeer) vriendschappelijke voet stonden met verdachte, waarbij het zakelijke contact samenviel met het persoonlijke, en waarbij juist - vanwege de persoonlijke contacten - veel vertrouwen in verdachte werd gesteld. Verdachte heeft vervolgens op schandelijke wijze misbruik gemaakt van dit vertrouwen waarbij hij zeer geraffineerd te werk ging. Hij spon zijn cliënten een web van halve waarheden en leugens voor. Hij heeft daarbij ook niet geschuwd zijn eigen familie (dat wil zeggen zijn moeder en indirect ook zijn zuster) financieel op te lichten.

In de rapportages die in verband met eerdere strafzaken over verdachte zijn opgemaakt wordt hij omschreven als man met een grote vatbaarheid voor pathologisch liegen en ook overigens valt uit het dossier, waaronder de verklaring van zijn zuster, op te maken dat het liegen en bedriegen bij verdachte vanaf zijn jonge jaren een grote rol heeft gespeeld. Verdachte lijkt dit niet te onderkennen.

Ook de rechtbank heeft tijdens de zittingen geconstateerd dat verdachte voor alles zijn eigen verhaal heeft. Vast is komen te staan dat hij gedurende tenminste een periode van zijn leven ook zijn eigen partner heeft belogen over zijn achtergrond, opleiding en inkomsten. De verklaringen die verdachte pleegt te geven ter rechtvaardiging dan wel uitleg van bepaalde handelingen vinden in geen enkel bewijsmiddel steun. Ook dit stemt overeen met de rapportages, waarin melding wordt gemaakt van het feit dat verdachte zijn eigen aandeel in de tenlasteleggingen minimaliseert en een sterk externaliserende houding heeft.

Vanaf het begin van de verdenking in deze zaak heeft verdachte aangegeven aan zichzelf te willen gaan werken om recidive in de toekomst te voorkomen. Zo heeft hij herhaaldelijk aangevoerd dat hij in behandeling wilde gaan bij een psycholoog om te kijken waarom hij telkens voor dit soort feiten in contact komt met politie en justitie. Op 5 augustus 2008 is door de rechter-commissaris een psycholoog benoemd. Verdachte heeft vervolgens geweigerd mee te werken met het opstellen van een rapportage, zodat de rechtbank sterke twijfels heeft over de waarde van het opleggen van een deels voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarde behandeling. In het door de verdediging overgelegde voorlichtingsrapport wordt dat advies wel gegeven, maar de rechtbank acht dat advies in het licht van het voorgaande onvoldoende onderbouwd. De rechtbank wordt in dit oordeel gesterkt door eerder ten behoeve van verdachte opgemaakte rapportages waarin met zoveel woorden staat vermeld dat niet veel valt te verwachten van een behandeling.

Uit de documentatie van verdachte is gebleken dat hij zich in het verleden gedurende een langere periode heeft bezig gehouden met het plegen van diverse vormen van oplichting. Hiervoor is verdachte reeds meerdere malen tot onvoorwaardelijke gevangenisstraffen en gedeeltelijk voorwaardelijke straffen veroordeeld. Dit heeft verdachte niet kunnen weerhouden van het opnieuw plegen van dergelijke strafbare feiten in de onderhavige zaak, in een periode waarin hij tot een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf was veroordeeld en daarvan nog in een proeftijd liep.

De rechtbank weegt ook ten nadele van verdachte mee dat hij zijn oplichtingspraktijken gedurende lange tijd heeft voortgezet.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte thans kennelijk niet in staat is zijn leven een andere wending te geven dan het zich telkens overgeven aan oplichting. De maatschappij dient beschermd te worden tegen de praktijken van verdachte en verdachte zelf moet daarop worden afgerekend. Voor clementie is thans naar het oordeel van de rechtbank geen plaats meer. Derhalve kan naar het oordeel van de rechtbank van een (deels) voorwaardelijke straf- zoals door de officier van justitie gevorderd en door de verdediging bepleit - geen sprake zijn. Het strafrechtelijk verleden van verdachte rechtvaardigt het oordeel dat van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf geen preventieve werking zal uitgaan, noch dat het verdachte zal weerhouden in de toekomst soortgelijke strafbare gedragingen te begaan.

2.11.

[appellant] heeft in april 2015 aangifte tegen [geïntimeerde 3] gedaan van schending van

ambtsgeheim bij het College van Procureurs-Generaal, die de aangifte in handen heeft

gesteld van het arrondissementsparket Noord-Holland. Het onderzoek naar aanleiding van

de aangifte is nog niet afgerond.

3 Het geschil

4 De beoordeling

5 Beslissing