Home

Gerechtshof Den Haag, 19-06-2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:1606, 200.215.938/01

Gerechtshof Den Haag, 19-06-2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:1606, 200.215.938/01

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
19 juni 2018
Datum publicatie
5 juli 2018
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2018:1606
Formele relaties
Zaaknummer
200.215.938/01

Inhoudsindicatie

SW-medewerker vraagt om toekenning van studiefaciliteiten: bekostiging van studie Toegepaste Psychologie. Beoordelingsruimte werkgever (na advies van adviescommissie) bij weigering van dit verzoek. Geen reële kans op werk.

Uitspraak

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.215.938/01

Zaaknummer rechtbank : 4659078 CV EXPL 15-10054

arrest van 19 juni 2017

inzake

OPENBAAR LICHAAM SOCIALE WERKVOORZIENING DRECHTSTEDEN “DRECHTWERK”,

gevestigd te Dordrecht,

appellant in het principaal appel,

geïntimeerde in het incidenteel appel,

hierna te noemen: Drechtwerk,

advocaat: mr. L.R.T. Peeters,

tegen

[naam] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in het principaal appel,

appellant in het incidenteel appel,

hierna te noemen: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. drs. S. Bergwerff.

1 Het geding

Bij exploot van 13 april 2017 is Drechtwerk in hoger beroep gekomen van het eindvonnis van 19 januari 2017 en het tussenvonnis van 30 juni 2016 van de rechtbank Rotterdam, locatie Dordrecht, sector kanton (hierna: de kantonrechter), voor zover gewezen tussen Drechtwerk en [geïntimeerde] . Het hof heeft bij arrest van 13 juni 2017 een comparitie van partijen gelast. Bij memorie van grieven (met producties) heeft Drechtwerk tien grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord in principaal appel tevens houdende memorie van grieven in incidenteel appel (met producties), heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden en twee incidentele grieven aangevoerd. Op 3 oktober 2017 heeft de comparitie plaatsgehad, waarvan het proces-verbaal buiten aanwezigheid van partijen met hun toestemming is opgemaakt, en aan hen is verzonden op 5 oktober 2017. Bij brief van 10 oktober 2017 heeft mr. Bergwerff enkele opmerkingen over het proces-verbaal gemaakt. Vervolgens heeft Drechtwerk bij memorie van antwoord in het incidenteel appel de grieven van [geïntimeerde] weersproken, waarna partijen de stukken hebben overgelegd en arrest hebben gevraagd.

2 Feiten, vordering en oordeel van de kantonrechter

2.1.

De kantonrechter heeft in het tussenvonnis onder 1.1 tot en met 1.9 feiten vastgesteld, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Met inachtneming van die feitenvaststelling en van hetgeen als niet voldoende gemotiveerd weersproken is komen vast te staan, kan in dit hoger beroep worden uitgegaan van het navolgende.

2.2.

Drechtwerk is een publiekrechtelijk ingesteld leerbedrijf in de Sociale Werkvoorziening (SW), en heeft als doel mensen, die vanwege lichamelijke of psychische beperkingen moeite hebben om werk te vinden, te begeleiden naar een arbeidsplaats in het reguliere bedrijfsleven.

2.3.

[geïntimeerde] heeft in 1996 een diploma MTS-werktuigbouwkundige behaald. Als gevolg van zijn lichamelijke beperkingen (Posttraumatische dystrofie en RSI) is [geïntimeerde] niet in staat werkzaam te zijn als werktuigbouwkundige. [geïntimeerde] is (vanwege die lichamelijke beperkingen) sinds september 2000 op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst van Drechtwerk. Aanvankelijk verrichte hij werkzaamheden voor Drechtwerk Metaal als begeleider technisch tekenaar. Vanaf 31 oktober 2001 heeft [geïntimeerde] gewerkt als SW-medewerker en thans is [geïntimeerde] voor 24 uur per week werkzaam op het serviceplein van Drechtwerk als individuele computerinstructeur. Deze functie is door Drechtwerk voor [geïntimeerde] gecreëerd.

2.4.

Op de arbeidsovereenkomst is van toepassing de CAO sociale werkvoorziening (hierna: de CAO), die - voor zover thans van belang - luidt als volgt.

“(...)

9.3

Training en opleiding

1. De werkgever bevordert de deelneming van de werknemer aan voorlichtings- trainings- en opleidingsactiviteiten, alsmede zo nodig de uitvoering van zodanige activiteiten, uitsluitend voor zover deze activiteiten gericht zijn op het verwerven van kennis en vaardigheden die voor de werknemer noodzakelijk zijn om zijn arbeid of zijn toekomstige arbeid zoveel mogelijk in overeenstemming met de doelstellingen omschreven in artikel 3 van de wet te kunnen verrichten.

2. De in lid 1 bedoelde activiteiten geschieden zoveel mogelijk binnen de werktijd, hetgeen ook geldt voor werknemers met een niet-volledige dienstbetrekking.

3. De werknemer kan de werkgever gemotiveerd verzoeken om deel te nemen aan een training of opleiding. Het is de werkgever die op het verzoek van de werknemer gemotiveerd een beslissing zal nemen.

4. Indien deze activiteiten niet in reguliere werktijd kunnen plaatsvinden, zal op lokaal niveau een compensatiemaatregel worden uitgewerkt, in welke regeling als uitgangspunt keuzevrijheid voor de werknemer geldt voor compensatie in tijd of geld.”

2.5.

Op de arbeidsovereenkomst is voorts van toepassing de Regeling Studiefaciliteiten SW medewerkers (hierna: de Regeling) , die - voor zover thans van belang - luidt als volgt.

“(...)

Paragraaf 1 Begripsbepalingen

Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder:

(...)

d) uitstroom: een arbeidsovereenkomst aangaan buiten de sociale werkvoorziening;

e) doorstroom: een andere functie uitoefenen binnen of buiten de sociale werkvoorziening;

(...)

Paragraaf 3 Opleidingen op verzoek van de werknemer

Artikel 1 Eisen voor toekenning

Het dagelijks bestuur kan, indien en voor zover het belang van Drechtwerk zulks toelaat, aan een werknemer op diens verzoek één of meer van de in de volgende artikelen omschreven studiefaciliteiten toekennen, indien:

a. met de studie een belang van Drechtwerk wordt gediend en

b. de opleiding door het Dagelijks Bestuur deugdelijk wordt geoordeeld.

(...)

Artikel 6 Studiekosten

1. De naar het oordeel van het Dagelijks Bestuur redelijk gemaakte studiekosten worden vergoed tot een percentage van:

• 75 voor cursus-, les- of collegegelden, examen- en diplomagelden alsmede studiemateriaal, met uitzondering van schrijfbehoeften, verzendkosten, duurzame gebruiksartikelen en niet verplicht voorgeschreven met de studie verband houdende boeken;

• 100 voor de noodzakelijke reiskosten, met dien verstande dat deze kosten worden berekend naar de minst kostbare wijze van openbaar vervoer dat geen vergoeding wordt gegeven indien de lessen worden gevolgd of het examen wordt afgelegd binnen de woonplaats.

Indien de werknemer een op uit-en/of doorstroombevorderende opleiding volgt worden, in het geval feitelijke uitstroom binnen één jaar plaatsvindt, de resterende 25% studiekosten vergoed.

(...)

Artikel 13 Nadere regels

1. (...)

2. Het Dagelijks Bestuur is bevoegd te beslissen voor zover nodig in afwijking (...) van deze regeling, in gevallen waarin deze regeling niet of niet in redelijkheid voorziet.“

2.6.

De Regeling is toegelicht in het Handboek P&O WSW-personeel (hierna: het Handboek), dat - voor zover van belang - luidt als volgt:

“(...)

6.1

REGELING STUDIEFACILITEITEN DRECHTWERK

Drechtwerk vindt scholing van medewerkers belangrijk. Scholing kan nodig zijn om de huidige of toekomstige werkzaamheden goed uit te voeren. Een medewerker die een opleiding wil volgen, overlegt hierover met zijn leidinggevende. Als de opleiding noodzakelijk is, wordt de opleiding voor 100% vergoed. Vergoeding wordt verstrekt als:

- de studie nodig is om de huidige of toekomstige functie goed uit te oefenen

- de studie past bij de scholingsaanvraag

- de studie past bij de vooropleiding en de beroepservaring van de medewerker.

Als de studie wordt vergoed, vult de medewerker een aanvraagformulier Studiefaciliteiten in (zie bijlage).

De medewerker ontvangt vervolgens een bevestiging van goedkeuring.

6.2

VERGOEDING VAN STUDIEKOSTEN

De vergoeding bedraagt 75% van de kosten, indien het gaat om een opleiding die uit- of doorstroming bevordert. Na het volgen van een dergelijke opleiding dient er een kans op werk te zijn in de branche waarop de opleiding zich richt. Wanneer binnen 1 jaar sprake is van feitelijke doorstroming naar aanleiding van de gevolgde opleiding, wordt de overige 25% vergoed.

Voorafgaand aan een dergelijke opleiding worden hierover goede afspraken gemaakt met zowel leidinggevende als personeelsadviseur.”

2.7.

Bij brief van 10 februari 2014 heeft [geïntimeerde] aan Drechtwerk geschreven zich te willen aanmelden voor de deeltijd hbo-opleiding Toegepaste Psychologie (hierna: de hbo opleiding), zodat hij werkzaam kan zijn in een werkveld waarbij zijn lichamelijke beperkingen niet belemmerend zijn. [geïntimeerde] heeft Drechtwerk verzocht om een tegemoetkoming in de (studie)kosten. Drechtwerk heeft dit verzoek bij brieven van 4 en 7 juli 2014 afgewezen nu het niet voldoet aan de geldende criteria. Kort gezegd omdat de opleiding psychologie niet noodzakelijk wordt geacht voor de huidige of toekomstige functie en omdat de opleiding niet past bij de scholingsvraag en bij de vooropleiding en beroepservaring van [geïntimeerde] .

2.8.

[geïntimeerde] heeft zich ingeschreven voor de hbo-opleiding en sinds het collegejaar 2014-2015 studeert hij in deeltijd. Hij is nu bezig met het vierde studiejaar.

2.9.

[geïntimeerde] heeft zich bij brief van 24 juli 2014 gewend tot de Geschillencommissie SW (hierna: de Geschillencommissie). Op 6 oktober 2014 heeft de Geschillencommissie partijen gehoord tijdens een hoorzitting. Op 15 oktober 2014 heeft de Geschillencommissie het bezwaar van [geïntimeerde] ongegrond verklaard en tevens het volgende advies gegeven:

“(...)

4. Conclusie

Alles overziend stelt de Geschillencommissie vast dat er onvoldoende zekerheid is gegeven dat de HBO-opleiding Toegepaste Psychologie tot het vinden van een functie op de reguliere arbeidsmarkt, en daarmee tot uitstroom zou leiden, omdat:

 er geen concrete vooruitzichten zijn op een functie in dit verband en betrokkene overigens ook voor het praktijkjaar hierop is aangewezen;

 de achtergrond van betrokkene niet aansluit op de opleiding;

 bezwaarmaker ervaring op het vakgebied mist;

 ten aanzien van de huidige werkzaamheden de opleiding niet noodzakelijk is.

 Drechtwerk heeft hiermee in voldoende mate onderbouwd waarom zij de opleidingskosten, geheel of gedeeltelijk, niet wil vergoeden. De commissie verklaart het bezwaar derhalve ongegrond.

5. Advies

De commissie adviseert, wanneer de heer [geïntimeerde] er evenwel in slaagt binnen een jaar na het behalen van het diploma volgens nader te bepalen criteria uit te stromen naar een reguliere baan, Drechtwerk in de geest van de regeling de opleidingskosten met terugwerkende kracht volledig vergoed en hem dezelfde faciliteiten verleent als wanneer zij de kans wel reëel had geacht. De commissie acht het namelijk niet redelijk, dat in dat geval de heer [geïntimeerde] gedupeerd zou worden als gevolg van een alsdan bewezen – maar naar de kennis van nu overigens begrijpelijke – inschattingsfout van Drechtwerk. Voorts wil de commissie aanbevelen de studiekostenregeling uit het Handboek P&O WSW juridisch aan te scherpen en te verhelderen en een duidelijke scheiding aan te brengen tussen de regeling betreffende opleidingskosten in relatie tot functies binnen Drechtwerk en daarbuiten. (...)”

2.10.

Drechtwerk heeft bij brief van 17 oktober 2014 aan [geïntimeerde] geschreven het advies te zullen opvolgen, en daarbij het volgende vermeld:

“(...) De toekenning van de studiefaciliteiten heeft in dit geval een ‘bovenwettelijk’ karakter en kan niet worden gebaseerd op de Regeling (...). Het Dagelijks Bestuur geeft derhalve toepassing aan hetgeen in artikel 13 van de regeling is bepaald.

Drechtwerk stelt de volgende voorwaarden:

U kunt aanspraak maken op vergoeding van studiekosten met overeenkomstige toepassing van artikel 6 lid 1 van de regeling (i.c. 100%);

Deze aanspraak heeft u indien u er feitelijk in slaagt de opleiding af te ronden en binnen een jaar na het behalen van het diploma uit te stromen naar een reguliere baan.

Onder een reguliere baan (...) wordt verstaan een baan voor welke geen subsidie wordt verstrekt. De nieuwe baan moet leiden tot een beëindiging van het dienstverband met Drechtwerk, dan wel haar rechtsopvolgers. (...)”

2.11.

Op verzoek van [geïntimeerde] heeft Drechtwerk, in aanvulling op de brief van 17 oktober 2014, aangeboden de examendagen van [geïntimeerde] te vergoeden. Een nader verzoek van [geïntimeerde] om toekenning van vergoeding voor stagedagen (in het eerste jaar totaal 40 dagen), heeft Drechtwerk afgewezen.

2.12.

Tegen de achtergrond van deze feiten heeft [geïntimeerde] in eerste aanleg bij de kantonrechter een procedure gestart tegen Drechtwerk en daarbij – samengevat – gevorderd een verklaring voor recht dat Drechtwerk gehouden is vooraf 75% van de kosten van de hbo-opleiding aan [geïntimeerde] te vergoeden en de benodigde studiefaciliteiten te verlenen (waaronder studieverlof en vergoeding van stagedagen), alsmede de veroordeling van Drechtwerk tot betaling van 75% van de opleidingskosten per direct en 25% indien [geïntimeerde] binnen een jaar na voltooiing van zijn opleiding uitstroomt en tot het verzorgen van studiefaciliteiten, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom. Volgens [geïntimeerde] vloeien deze verplichtingen voort uit de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst, in het bijzonder de Regeling en het Handboek, en dient Drechtwerk deze na te komen. De hbo-opleiding bevordert de uit- of doorstroming van [geïntimeerde] , immers na het met succes afronden van zijn opleiding zal hij als gediplomeerde meer kans hebben op een baan dan zonder diploma. In tegenstelling tot zijn huidige situatie, aangezien hij wegens lichamelijke klachten niet inzetbaar is in zijn oorspronkelijke werkveld als werktuigbouwkunde, zo stelt [geïntimeerde] .

2.13.

De kantonrechter heeft in het tussenvonnis [geïntimeerde] opgedragen te bewijzen dat de door hem gevolgde opleiding zijn uitstroom bevordert en dat na hij het volgen van die opleiding een reële kans heeft op werk in de branche waarop zijn opleiding is gericht. In het eindvonnis van 19 januari 2017 heeft de kantonrechter geoordeeld dat [geïntimeerde] is geslaagd in dit bewijs. De kantonrechter heeft de vorderingen van [geïntimeerde] (grotendeels) toegewezen en in het dictum:

-

voor recht verklaard dat Drechtwerk de opleidingskosten van de hbo-opleiding voor 75% dient te vergoeden,

-

Drechtwerk veroordeeld tot betaling van 75% van de opleidingskosten, bestaande uit les- en inschrijfgeld, boeken en leermiddelen, examengelden,

-

Drechtwerk veroordeeld tot betaling van reiskosten en verblijfkosten ten behoeven van de te volgen hbo-opleiding,

-

Drechtwerk veroordeeld tot het verzorgen van studiefaciliteiten ten behoeve van [geïntimeerde] , (a) waaronder in ieder geval vijf uur studieverlof per week vanaf 1 september 2014, waarvan bij gebreke van het verlenen van studieverlof in het verleden, deze uren worden nabetaald, vermeerderd met de wettelijke rente, (b) het meewerken in ruime zin van het uitvoeren van studieopdrachten en (c) het toekennen van een vergoeding voor de stagedagen, en

-

Drechtwerk in de proceskosten veroordeeld.

3 Het geschil in principaal en incidenteel hoger beroep

3.1.

Drechtwerk vordert in hoger beroep vernietiging van het tussenvonnis van 30 juni 2016 en het eindvonnis van 19 januari 2017, en opnieuw rechtdoende, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog te ontzeggen, met veroordeling van [geïntimeerde] tot terugbetaling aan Drechtwerk van hetgeen zij op grond van het eindvonnis van 19 januari 2017 aan [geïntimeerde] heeft betaald, vermeerderd met rente en (na)kosten. De grieven van Drechtwerk zijn – zakelijk weergegeven – gericht tegen de uitleg die de kantonrechter heeft gegeven aan de Regeling, tegen de verleende bewijsopdracht en tegen de bewijswaardering.

3.2.

[geïntimeerde] heeft de vorderingen van Drechtwerk in het principaal appel gemotiveerd weersproken en vordert in het incidenteel appel – na wijziging van eis en samengevat – vernietiging van eindvonnis van 19 januari 2017 voor zover het betreft de afwijzing van de vordering tot betaling van 100% van de opleidingskosten en de afwijzing van de dwangsom, en opnieuw rechtdoende:

I. Veroordeling van Drechtwerk tot betaling van een bedrag ter hoogte van 100 procent van de opleidingskosten, indien naar aanleiding van het volgen van de hbo-opleiding Toegepaste Psychologie, binnen één jaar na afronding daarvan, sprake is van uit- of doorstroming;

II. Oplegging van een dwangsom van € 5.000 per overtreding per week, met een maximaal te verbeuren dwangsom van € 50.000, althans een zodanige dwangsom als het hof in redelijkheid zal vaststellen, indien Drechtwerk niet meewerkt aan het verzorgen van redelijke studiefaciliteiten en vergoeding van redelijke studiekosten in de brede zin des woords;

III. Drechtwerk te verplichten tot het verzorgen van studiefaciliteiten ten behoeve van [geïntimeerde] , waaronder in ieder geval:

a) het verlenen van 5 uur studieverlof per week, uitgaande van 52 weken per jaar, althans 45 weken per jaar, vanaf 1 september 2014 tot de datum waarop [geïntimeerde] de hbo-opleiding Toegepaste Psychologie heeft afgerond, waarvan bij gebreke van het verlenen van studieverlof in het verleden, deze uren worden nabetaald, vermeerderd met wettelijke rente, althans alsnog worden toegekend in compensatie-uren;

b) het meewerken in ruime zin aan het uitvoeren van studieopdrachten;

c) medewerking aan een vergoeding van door de opleiding verplicht gestelde stagedagen van in totaal 1.120 uur;

d) het verlenen van 8 uur examenverlof (niet zijnde studieverlof) per tentamen; en

e) het verlenen van 160 uur betaald afstudeerverlof, niet zijnde studieverlof of examenverlof;

met veroordeling van Drechtwerk in de kosten in beide instanties.

4 De beoordeling van het hoger beroep

4 Beslissing