Gerechtshof Den Haag, 13-03-2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:1609, 200.152.354,200.181.926
Gerechtshof Den Haag, 13-03-2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:1609, 200.152.354,200.181.926
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Den Haag
- Datum uitspraak
- 13 maart 2018
- Datum publicatie
- 17 juli 2018
- ECLI
- ECLI:NL:GHDHA:2018:1609
- Zaaknummer
- 200.152.354,200.181.926
Inhoudsindicatie
Vervoer onder cognossement. Verhouding tot koopovereenkomst met daarin een CAD-beding. Aansprakelijkheid curator in hoedanigheid en pro se. Schending eigendomsrecht. Geen superpreferente vordering. Wel prefentie op opbrengst van onrechtmatige verkochte zaken.
Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Afdeling civiel recht
Uitspraakdatum : 13 maart 2018
Zaaknummers : 200.152.354 + 200.181.926
Zaak-/rolnummer rechtbank : 307736 / HA ZA 08-1306
Arrest
in de - niet gevoegde - zaken met bovengenoemde nummers van:
[naam 1] ,
als curator in het faillissement van Algemene Oliehandel B.V. en in privé,
kantoorhoudende te Amersfoort,
appellant in de principale, geïntimeerde in de incidentele appellen,
hierna te noemen: de curator en de failliete B.V.: AOH,
advocaat: mr. T.P. Hoekstra (Amsterdam),
tegen
NIDERA S.A.,
gevestigd te Buenos Aires (Argentinië),
geïntimeerde in de principale, appellante in de incidentele appellen,
hierna te noemen: Nidera,
advocaat: mr. J.G. Princen (Rotterdam).
Het (verdere) verloop van het geding
In deze zaak is op 30 december 2014 een arrest gewezen in het door de curator
opgeworpen incident ex art. 351 Rv. Na dat arrest heeft eerst de curator een memorie van grieven (met producties), houdende vier grieven, ingediend en daarna Nidera een memorie van antwoord (met producties). Nidera heeft daarbij tevens - onder aanvoering van drie grieven, waarvan één (deels) voorwaardelijk - incidenteel appel ingesteld, waar de curator vervolgens op heeft gereageerd bij memorie van antwoord in incidenteel appel. Daarna is de zaak - op 21 juni 2016 - door de wederzijdse advocaten aan de hand van door hen overgelegde pleitnotities bepleit; voor de curator door mrs. T.P. Hoekstra en E.J.M. van Rijckevorsel-Teeuwen en voor Nidera door mrs. J.G. Princen en J.P.D. van de Klift. Van deze pleitzitting is een proces-verbaal opgemaakt. Dat bevindt zich bij de stukken. Het arrest is aangehouden totdat de zaak met nummer 200.181.513 eveneens in staat van wijzen was. Toen dat eenmaal zo ver was, is de arrestdatum in beide zaken een aantal malen doorgeschoven. Door dit uitstel heeft een van de drie raadsheren die zitting hadden op 21 juni 2016 het arrest - wegens leeftijdsontslag - niet meer kunnen meewijzen. Partijen, die hierover vooraf zijn geïnformeerd, hebben ingestemd met een afdoening in een gewijzigde samenstelling.
in de zaak met nummer 200.181.926 (tussen Nidera en de curator in privé)
De curator is bij exploot van 22 september 2015 in hoger beroep gekomen van de vonnissen van 4 februari 2009, 29 april 2009, 2 maart 2011, 21 december 2011,
19 december 2012, 30 april 2014 en 16 september 2015, door de Rechtbank Rotterdam gewezen tussen Nidera als eiseres en de curator (in privé) als gedaagde. Bij memorie van grieven (met producties) heeft hij zes grieven aangevoerd. Vervolgens heeft Nidera een ‘memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel appel, alsmede houdende wijziging van eis en vordering ex artikel 22 of 843a Rv’ (met producties) ingediend; de curator daarop een ‘memorie van antwoord in incidenteel appel tevens antwoord wijziging eis tevens antwoord vordering ex artikel 22 of 843a Rv’; Nidera daarna - op 1 november 2016 - een ‘akte na memorie van antwoord in incidenteel appel’ en de curator tot slot - op 20 december 2016 - een ‘antwoordakte’. Na deze conclusie-/ aktewisseling is arrest gevraagd.