Gerechtshof Den Haag, 03-04-2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:760, BK-18/00998
Gerechtshof Den Haag, 03-04-2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:760, BK-18/00998
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Den Haag
- Datum uitspraak
- 3 april 2019
- Datum publicatie
- 19 april 2019
- ECLI
- ECLI:NL:GHDHA:2019:760
- Zaaknummer
- BK-18/00998
Inhoudsindicatie
Het Hof oordeelt dat de hoorplicht is geschonden en wijst de zaak terug naar de Heffings-ambtenaar met toepassing van de judiciële lus ex artikel 8:113, lid 2, Awb. Uit de omstandig-heid dat geen reactie werd ontvangen op het verzoek om contact op te nemen voor het maken van een afspraak voor een hoorgesprek, welk verzoek na het uitblijven van een reactie is herhaald, mag niet worden afgeleid dat belanghebbende (stilzwijgend) afstand heeft gedaan van het recht te worden gehoord. De Heffingsambtenaar had belanghebbende voor een hoorzitting moeten uitnodigen onder vermelding van tijdstip en plaats.
Uitspraak
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummers BK-18/00998
in het geding tussen:
(gemachtigde: B. de Jong)
en
(vertegenwoordigers: J.I. van der Zanden en R. Gangadien)
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 28 augustus 2018, nummer SGR 18/4140.
Procesverloop
Aan belanghebbende is op 9 januari 2018 een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting van de gemeente Gouda opgelegd.
Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Heffingsambtenaar de naheffingsaanslag gehandhaafd.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep is een griffierecht geheven van € 46. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 126. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 13 maart 2019. Partijen zijn verschenen. De Heffingsambtenaar heeft een pleitnota overgelegd. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Vaststaande feiten
Op 9 januari 2018, omstreeks 15:34 uur, stond de auto van belanghebbende met het kenteken [...] geparkeerd op een door parkeerapparatuur gereguleerde parkeerplaats aan de [Y] te [Z] . Tijdens een controle heeft de parkeercontroleur geconstateerd dat er op dat moment geen geldig parkeerbewijs in de auto lag en dat de parkeerapp evenmin was geactiveerd. De parkeercontroleur heeft geen laad- en losactiviteiten bij de auto waargenomen.
Naar aanleiding van die bevindingen is de naheffingsaanslag van € 63,80 (€ 1,80 belasting plus € 62 kosten) opgelegd.
In het bezwaarschrift van 9 januari 2018 heeft belanghebbende de Heffingsambtenaar verzocht te worden gehoord. Het bezwaarschrift luidt:
“Met deze brief dien ik bezwaar in tegen uw boete met bonnummer (...), waarbij ik ook gehoord wil worden en bijbehorend kenteken: (...) Volledigheidshalve voeg ik een afschrift van uw boete toe. Ik ben het om de volgende reden(en) niet eens met de boete:- Ik was aan het laden/lossen.”
De Heffingsambtenaar heeft belanghebbende bij brieven van 2 en 15 februari 2018 verzocht om contact op te nemen voor het maken van een afspraak voor een hoorgesprek.
De brief van 2 februari 2018 luidt:
“(...)
In uw bezwaarschrift heeft u aangegeven dat u gehoord wenst te worden voordat ik uitspraak doe op uw bezwaarschriften. Ik ben voornemens uw bezwaar af te wijzen.
Ik verzoek u om binnen twee weken na dagtekening van deze brief contact op te nemen met de in het briefhoofd genoemde contactpersoon/afdeling. Er kan dan een afspraak gemaakt worden voor een hoorgesprek. (...) Indien u afziet van de mogelijkheid om te worden gehoord, verzoek ik u om dit ook telefonisch of per e-mail aan te geven zodat de uitspraak op uw bezwaar kan worden opgesteld.
(...)”
In de brief van 15 februari 2018 is het verzoek herhaald. Daarbij is een reactietermijn van één week gegeven.
De Heffingsambtenaar heeft geen reactie ontvangen op voornoemde brieven en heeft, zonder belanghebbende te horen, uitspraak op bezwaar gedaan.
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft overwogen:
“4. In geschil is of [belanghebbende] in bezwaar had moeten worden gehoord. [Belanghebbende] verzoekt om terugverwijzing naar [de Heffingsambtenaar].
5. [ Belanghebbende] betwist dat zij de brieven van [de Heffingsambtenaar] heeft ontvangen waardoor [de Heffingsambtenaar] haar ten onrechte niet heeft gehoord.
6. De rechtbank stelt vast dat [belanghebbende] in haar bezwaarschrift heeft verzocht om te worden gehoord. Ingevolge artikel 25, eerste lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen wordt uitsluitend in dat geval een hoorzitting belegd in belastingzaken.
7. De rechtbank stelt vast dat [de Heffingsambtenaar] [belanghebbende] bij brieven van 2 februari 2018 en 15 februari 2018 heeft uitgenodigd om te worden gehoord. [Belanghebbende] heeft hier niet op gereageerd.
8. De rechtbank overweegt dat in het geval van niet aangetekende verzending van een besluit of een ander rechtens van belang zijnd document, het bestuursorgaan aannemelijk dient te maken dat het desbetreffende stuk is verzonden. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst van het besluit of ander relevant document op dat adres. Dit brengt mee dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres. Daartoe is in ieder geval vereist dat het besluit is voorzien van de juiste adressering en een verzenddatum en dat sprake is van een deugdelijke verzendadministratie. Indien het bestuursorgaan de verzending naar het juiste adres aannemelijk heeft gemaakt, ligt het vervolgens op de weg van de geadresseerde voormeld vermoeden te ontzenuwen. Hiertoe dient de geadresseerde feiten te stellen op grond waarvan de ontvangst redelijkerwijs kan worden betwijfeld.
9. [ De Heffingsambtenaar] heeft de werking van de verzendadministratie toegelicht. Met deze toelichting en de daartoe behorende overzichten acht de rechtbank het aannemelijk dat de brieven zijn verzonden. De rechtbank acht het verder aannemelijk dat de brieven naar het juiste adres van [belanghebbende] zijn verzonden, nu [de Heffingsambtenaar] heeft aangegeven dat de brieven naar het adres dat in het bezwaarschrift is vermeld zijn gestuurd en [belanghebbende] op dit adres in de Basisregistratie personen staat ingeschreven. Nu [de Heffingsambtenaar] de verzending van de brieven naar het juiste adres aannemelijk heeft gemaakt, is het aan [belanghebbende] om feiten te stellen op grond waarvan de ontvangst redelijkerwijs kan worden betwijfeld. Dergelijke feiten zijn niet gesteld. De rechtbank acht ook niet aannemelijk dat beide brieven in het ongerede zouden zijn geraakt, terwijl de overige post van [de Heffingsambtenaar] wel is ontvangen. [De Heffingsambtenaar] heeft er daarom terecht van afgezien [belanghebbende] te horen.
10. Ook overigens is de rechtbank niet gebleken van feiten of omstandigheden die zouden kunnen leiden tot het oordeel dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. Nu [belanghebbende] in bezwaar alleen heeft gesteld dat er sprake was van laden en lossen en dit standpunt op geen enkele wijze tijdens de bezwaar- en beroepsprocedure heeft onderbouwd en niet ter zitting is verschenen, heeft zij blijkbaar om haar moverende redenen van de haar ten dienste staande beroepsmogelijkheid afgezien.
11. Gelet op wat hiervoor is overwogen is het beroep ongegrond verklaard.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”