Gerechtshof Den Haag, 24-04-2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:903, 200.242.435/01
Gerechtshof Den Haag, 24-04-2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:903, 200.242.435/01
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Den Haag
- Datum uitspraak
- 24 april 2019
- Datum publicatie
- 27 mei 2019
- ECLI
- ECLI:NL:GHDHA:2019:903
- Zaaknummer
- 200.242.435/01
Inhoudsindicatie
Rechtbank heeft de behoefte van de onderhoudsgerechtigde vastgesteld op ruim € 78.000,- bruto per maand. DGA komt door de rechtbank vastgestelde alimentatie van € 15.545,- bruto per maand in betalingsnood. Hof stelt behoefte van de vrouw vast op € 6.150,- netto per maand. De DGA heeft een schuld aan zijn B.V. van € 5.900.000,-. Hof houdt rekening met de aflossing op deze schuld en stelt de draagkracht van de DGA vast op € 2.478,- bruto per maand.
Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Afdeling civiel recht
zaaknummer : 200.242.435/01
rekestmummer rechtbank : FA RK 17-3531
zaaknummer rechtbank : C/10/525890
beschikking van de meervoudige kamer van 24 april 2019
inzake
[appellant] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. K. Beumer te Brielle,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. Chr.E. Pfeiffer te Hellevoetsluis.
1 Het verloop van het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 12 april 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking).
2 Het geding in hoger beroep
De man is op 11 juli 2018 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
De vrouw heeft op 29 augustus 2018 een verweerschrift ingediend.
Bij het hof zijn verder de volgende stukken ingekomen:
van de zijde van de man
op 29 augustus 2018 een brief van diezelfde datum, met bijlage;
op 11 september 2018 een brief van diezelfde datum met bijbehorend journaalbericht, met bijlagen;
op 11 september 2018 een e-mailbericht van diezelfde datum, met bijlage;
op 12 september 2018 een journaalbericht van diezelfde datum, met bijlage;
op 21 februari 2019 een brief van diezelfde datum, met bijlagen;
op 6 maart 2019 een journaalbericht van diezelfde datum, met bijlagen.
van de zijde van de vrouw
op 5 september 2018 een brief van 3 september 2018 met bijbehorend journaalbericht, met bijlagen;
op 12 september 2018 een brief van 11 september 2018 met bijbehorend journaalbericht, met bijlage;
op 15 februari 2019 een brief van diezelfde datum met bijlagen.
De mondelinge behandeling heeft op 8 maart 2019 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
de man, bijgestaan door zijn advocaat en door zijn financieel adviseur [financieel adviseur man] ;
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en door haar financieel adviseur [financieel adviseur vrouw] .
3 De feiten
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat vast dat partijen zijn gehuwd [in] 2013 te [plaats 1] en dat de echtscheiding tussen hen bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 3 november 2017 is uitgesproken.
In hoger beroep is verder komen vast te staan dat voormelde echtscheidingsbeschikking op 14 februari 2018 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.