Gerechtshof Den Haag, 11-02-2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:153, 200.235.456/01
Gerechtshof Den Haag, 11-02-2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:153, 200.235.456/01
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Den Haag
- Datum uitspraak
- 11 februari 2020
- Datum publicatie
- 11 februari 2020
- ECLI
- ECLI:NL:GHDHA:2020:153
- Formele relaties
- Cassatie: ECLI:NL:HR:2021:1994, Meerdere afhandelingswijzen
- Zaaknummer
- 200.235.456/01
Inhoudsindicatie
-
Uitspraak
Zaaknummer : 200.235.456/01
Zaaknummer rechtbank : : 5829603 CV EXPL 17-2334
arrest van 11 februari 2020
inzake
[X C.V.] ,
gevestigd te Noordwijk,
appellante,
hierna te noemen: [X C.V.] ,
advocaat: mr. M.J. van Paridon te Leiden,
tegen
1 mr. J.B.A. Jansen q.q.,
2. mr. G.J. Koers q.q.,
beiden in hun hoedanigheid van curator in het faillissement van PaperlinX B.V.,
beiden kantoorhoudende te Apeldoorn,
geïntimeerden,
hierna te noemen: de curatoren,
advocaat: mr. R.J. van Betten te Zwolle.
1 Het verloop van het geding
Bij exploot van 5 maart 2018 is [X C.V.] in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen eindvonnis van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 7 december 2017 (hierna: het bestreden vonnis). [X C.V.] heeft bij memorie van grieven met producties twee als zodanig aangeduide grieven aangevoerd en toegelicht en tevens haar eis gewijzigd. Bij memorie van antwoord, met producties, hebben de curatoren de grieven bestreden. Ten slotte hebben beide partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.
2 Feiten
De door de kantonrechter in de bestreden vonnissen vastgestelde feiten zijn door partijen niet bestreden, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan. Met inachtneming hiervan en van hetgeen beide partijen verder nog onbestreden naar voren hebben gebracht, kan in deze zaak van het volgende worden uitgegaan.
a. [X C.V.] verhuurde met ingang van 1 mei 2017 aan PaperlinX B.V. (hierna: PL) de bedrijfs- en kantoorruimte aan de Mandemakersstraat 1a te Zwijndrecht. Op de huurovereenkomst zijn van toepassing: de “ALGEMENE BEPALINGEN HUUROVEREENKOMST KANTOORRUIMTE en andere Bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:230a BW”, opgesteld door de Raad voor Onroerende Zaken (ROZ) en gedeponeerd bij de griffie van de rechtbank Den Haag op 11 juli 2003 (hierna: de AB).
b. In de AB is onder meer het volgende bepaald:
Betalingen
De betaling van de huurprijs (...) zal uiterlijk op de vervaldata (...) geschieden (...).
. Telkens indien een uit hoofde van de huurovereenkomst door huurder verschuldigd bedrag niet prompt op de vervaldag is voldaan, verbeurt huurder aan verhuurder van rechtswege per kalendermaand vanaf de vervaldag van dat bedrag een direct opeisbare boete van 2% van het verschuldigde per kalendermaand, waarbij elke ingetreden maand als een volle maand geldt met een minimum van € 300,00 per maand.
c. Bij beschikking van de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, van 14 april 2015 is aan PL voorlopige surseance van betaling verleend. Bij beschikking van 16 april 2015 is de surseance ingetrokken en is PL in staat van faillissement verklaard.
d. Op de datum van faillissement bedroeg de door PL verschuldigde huurprijs € 73.478,34 exclusief BTW per maand.
e. Bij brief van 20 juli 2015 hebben de curatoren de huurovereenkomst op de voet van artikel 39 Fw opgezegd per 31 oktober 2015.
f. Bij brief van 24 juli 2015 heeft [X C.V.] de curatoren een overzicht verschaft van haar huurvorderingen, waarbij zij de facturen voor de huur “april-heden” heeft bijgesloten. Zij heeft aangekondigd maandelijks facturen voor de huur te zullen sturen.
g. Bij brief van 9 september 2015 hebben de curatoren onder meer het volgende bericht aan de vertegenwoordiger van [X C.V.] :
“Zoals in mijn antwoordbrief van 26 augustus jl. reeds aangegeven, noteerde ik de vorderingen ad € 317.108,02 en € 266.726,37 op de lijst van voorlopig erkende concurrente crediteuren.In dit stadium kan ik nog niet aangeven of een uitkering aan crediteuren kan plaatsvinden.”
De genoteerde vordering van in totaal € 583.834,39 betreft de huurvordering van [X C.V.] over de periode vanaf de surseance tot het einde van de huurovereenkomst (hierna: de boedelperiode).
h. In het 7e openbare faillissementsverslag (verslagperiode 1 juni 2017 tot 1 december 2017) is vermeld dat het saldo van de boedelrekening per 1 december 2017 € 11.746.866,56 bedraagt en er voor € 12.900.000 aan boedelvorderingen bij de curatoren is ingediend. Op p. 7 van het verslag is onder meer vermeld:“BelgiëZoals hierboven in de inleiding al is aangegeven en uitvoerig is toegelicht in het vorige verslag heeft mr. P. Trip namens curatoren alle Belgische werknemers geïnformeerd over de erkenning en kwalificatie van de door die werknemers ingediende vorderingen. Curatoren hebben het standpunt ingenomen dat het meest substantiële deel van de ingediende vorderingen, de zgn. ‘verbrekingsvergoeding’ (deels) als niet verifieerbaar beschouwd moet worden (in totaal ca. € 2,2 mio op een vordering van in totaal van € 3,9 mio). Naar aanleiding daarvan heeft een (relatief) beperkt aantal werknemers gereageerd. Vrij recent is ook een reactie binnengekomen namens de vakvereniging van handelsvertegenwoordigers. Zij hebben nog een aantal vragen gesteld. Ook het FSO heeft gereageerd en verzocht om een toelichting op de vermelde bedragen. Een groot deel van de vordering die het FSO heeft ingediend (uit hoofde van door haar overgenomen loondoorbetalingsverplichtingen richting de werknemers) is door curatoren als niet verifieerbaar gekwalificeerd, zodat zij belang heeft bij een toelichting daarop. In de komende verslagperiode zal een bijeenkomst worden georganiseerd voor het FSO en de werknemersvertegenwoordiging waarin nog een nadere toelichting zal worden gegeven en vragen beantwoord kunnen worden. De curatoren verwachten in de komende periode ook ten aanzien van deze vorderingen het passief in der minne ‘definitief’ te kunnen vaststellen.”
Op pagina 17 is onder meer vermeld: “Aangezien gelet op de staat van baten en lasten mogelijkerwijs op enig moment een uitkering aan (preferente) faillissementscrediteuren zou kunnen worden gedaan, hebben curatoren in overleg met de rechter-commissaris ervoor gekozen om ter voorbereiding op een nader te bepalen verificatievergadering te komen tot een volledige inventarisatie en beoordeling van het aangemelde concurrente passief. ”
i. In de staat van baten en lasten per 1 augustus 2018 is vermeld dat het saldo van de boedelrekening exclusief nog verwachte baten ruim € 11.969.483,-- bedraagt en er voor € 12.080.860,-- aan boedelvorderingen is ingediend (exclusief eventuele rentebedragen). Tot de vermelde boedelcrediteuren behoren:“Aanspraken werknemers België (totaal) € 3.892,988
(...)”
j. Op 19 februari 2018 is er in het Centraal Insolventieregister een uitnodiging voor de verificatievergadering op 21 september 2018 gepubliceerd.