Home

Gerechtshof Den Haag, 15-12-2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:2484, 200.259.645/01

Gerechtshof Den Haag, 15-12-2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:2484, 200.259.645/01

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
15 december 2020
Datum publicatie
22 januari 2021
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2020:2484
Formele relaties
Zaaknummer
200.259.645/01

Inhoudsindicatie

Bestuurdersaansprakelijkheid. Art. 2:248 lid 1 en 2 BW. Andere belangrijke oorzaken faillissement niet aannemelijk. Bestuursverbod. Art. 106a lid 1 sub a en c Fw. Gevolgen bestuursverbod t.a.v. nieuwe rechtspersonen. Zienswijze cfm art. 106c lid 2 Fw.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.259.645/01Zaaknummer rechtbank : C/10/536806 / HA ZA 17-967

arrest van 15 december 2020

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats],

appellant in het principaal appel,

geïntimeerde in het incidenteel appel,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. R. Sinke te Rotterdam,

tegen

mr. Erik Johan Luten, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van CSH Uitzendbureau B.V.,

kantoorhoudende te Rotterdam,

geïntimeerde in het principaal appel,

appellant in het incidenteel appel,

hierna te noemen: de curator,

advocaat: mr. J.J. Linker te Rotterdam.

Het geding

1. Bij exploot van dagvaarding van 13 februari 2019 is [appellant] in hoger beroep gekomen van de door de rechtbank Rotterdam tussen partijen gewezen vonnissen van 9 mei 2018 en 14 november 2018 (hierna tezamen: de bestreden vonnissen en elk afzonderlijk: het bestreden tussenvonnis respectievelijk het bestreden eindvonnis). Bij memorie van grieven (met producties) heeft [appellant] twee grieven aangevoerd. De curator heeft de grieven bij memorie van antwoord (met producties) bestreden en tevens, onder aanvoering van twee grieven, incidenteel appel ingesteld. [appellant] heeft hierop gereageerd bij memorie van antwoord in incidenteel appel (met producties). Vervolgens hebben partijen op 20 oktober 2020 de zaak door hun hiervoor genoemde advocaten doen bepleiten. De gebezigde pleitnotities zijn overgelegd. Er is proces-verbaal opgemaakt. De zitting heeft in verband met maatregelen tegen de verspreiding van het COVID-19 virus, in het belang van de volksgezondheid plaatsgehad per video-verbinding. Aan het eind van de pleitzitting is arrest bepaald.

Beoordeling van het hoger beroep

2 De feiten

De door de rechtbank in het vonnis vastgestelde feiten zijn niet in geschil. Ook het hof zal daarvan uitgaan. Het gaat in deze zaak om het volgende (voor zover relevant aangevuld met feiten die evenmin ter discussie staan).

2.1

Op 27 september 2016 is CSH Uitzendbureau B.V. (hierna: CSH Uitzendbureau) in staat van faillissement verklaard met benoeming van de curator als zodanig. Ten tijde van het faillissement was [appellant] de enige bestuurder van CSH Uitzendbureau.

2.2

[appellant] is als bestuurder ook betrokken (geweest) bij [...] Beheer B.V. (hierna: [Beheer BV]), Cleaning Service Rijnmond B.V. (hierna: CSR), CSH Detachering B.V. (hierna: CSH Detachering) en CSH Schoonmaakdiensten B.V. (hierna: CSH Schoonmaakdiensten). CSR en CSH Detachering zijn op 21 april 2015 respectievelijk 4 augustus 2015 failliet verklaard met benoeming van mr. Huijbens als curator. CSH Schoonmaakdiensten is op 15 augustus 2017 failliet verklaard met benoeming van de curator als zodanig.

2.3

De jaarrekening van CSH Uitzendbureau over 2013 is volgens opgave van de Kamer van Koophandel op 19 juni 2015 gedeponeerd. De jaarrekeningen over 2014 en 2015 waren op de datum van het faillissement van CSH Uitzendbureau nog niet gedeponeerd.

2.4

De digitale administratie van CSH Uitzendbureau is door [appellant] ingevoerd bij Exact onder een licentie op naam van [Beheer BV]. Deze licentie is in augustus 2016 door Exact beëindigd vanwege een betalingsachterstand.

3 De procedure bij de rechtbank

3.1

Bij inleidende dagvaarding heeft de curator – samengevat – gevorderd:

(i) een verklaring voor recht dat [appellant] (primair) zijn taak als bestuurder (kennelijk) onbehoorlijk heeft vervuld in de zin van artikel 2:248 lid 1 en 2 BW en dat dit een belangrijke oorzaak van het faillissement is; althans (subsidiair) zijn taak als bestuurder onbehoorlijk heeft vervuld in de zin van artikel 2:9 BW; dan wel (meer subsidiair) onrechtmatig heeft gehandeld jegens de gezamenlijke crediteuren van CSH Uitzendbureau; en dat [appellant] derhalve aansprakelijk is voor de daardoor ontstane schade, bestaande uit het faillissementstekort;

(ii) veroordeling van [appellant] tot vergoeding van de hiervoor bedoelde schade, op te maken bij staat;

(iii) veroordeling van [appellant] tot een bestuursverbod op grond van artikel 106a Fw voor de duur van 5 jaar vanaf de datum van het vonnis, gedurende welke periode [appellant] niet benoemd kan worden tot bestuurder en/of commissaris van een rechtspersoon (artikel 106b Fw) en niet mag optreden als feitelijk beleidsbepaler van een rechtspersoon (artikel 106d Fw), onder oplegging van een dwangsom van € 1.000,- per dag waarop [appellant] niet aan dit verbod voldoet; en

(iv) veroordeling van [appellant] in de kosten en nakosten van dit geding.

De curator heeft daarbij in verband met het gevorderde bestuursverbod en gelet op het bepaalde in artikel 106c lid 1 Fw een uittreksel uit het Handelsregister overgelegd van de overige rechtspersonen waarbij [appellant] als bestuurder is betrokken, te weten [Beheer BV], CSR en CSH Detachering (productie 14 bij dagvaarding in eerste aanleg).

3.2

Bij het bestreden tussenvonnis heeft de rechtbank aan de hiervoor genoemde vennootschappen, - voor wat betreft CSR en CSH Detachering aan mr. Huijbens (de betrokken curator) -, om een zienswijze als bedoeld in artikel 106c lid 2 Fw gevraagd. [Beheer BV] heeft van de geboden mogelijkheid geen gebruik gemaakt. Uit de zienswijze van mr. Huijbens is gebleken dat CSR en CSH Detachering op 17 april 2018 bij gebrek aan baten zijn opgeheven, zodat de rechtbank de zienswijze van mr. Huijbens verder niet heeft meegenomen bij de beoordeling van het bestuursverbod.

3.3

De rechtbank heeft bij het bestreden eindvonnis de vordering van de curator onder (ii) toegewezen en [appellant] veroordeeld tot betaling van het boedeltekort nader op te maken bij staat, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten. Daarnaast heeft de rechtbank [appellant] een bestuursverbod opgelegd voor de duur van twee jaar vanaf het moment dat de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan. De gevorderde dwangsom is afgewezen.

De rechtbank heeft daartoe geoordeeld dat als gevolg van de te late publicatie van de jaarrekeningen op grond van artikel 2:248 lid 2 BW vaststaat dat sprake is van onbehoorlijke taakvervulling van [appellant] en dat [appellant] niet aannemelijk heeft kunnen maken dat er andere belangrijke oorzaken van het faillissement zijn, zodat vast is komen te staan dat deze onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest. Op grond van artikel 2:248 lid 1 BW is [appellant] daarom aansprakelijk voor het faillissementstekort.

De rechtbank heeft het bestuursverbod opgelegd zowel op grond van artikel 106a lid 1 aanhef en sub a Fw ([appellant] is aansprakelijk op grond van artikel 2:248 lid 2 BW), als op grond van artikel 106a lid 1 aanhef en sub c Fw ([appellant] is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichting om inlichtingen te verschaffen aan de curator). Het bestuursverbod is beperkt tot de duur van twee jaar omdat de schending van de informatieverplichting beperkt is in duur en omvang en de bestuurdersaansprakelijkheid met name gebaseerd is op het niet voldoen aan de publicatieplicht, terwijl de te late publicatie van de jaarrekeningen van 2013 en 2014 met name speelt in de periode van vóór 1 juli 2016, een periode die op grond van het overgangsrecht niet meegenomen kan worden bij het opleggen van het bestuursverbod.

De rechtbank heeft de gevorderde dwangsom afgewezen omdat de curator daarbij geen belang heeft nu deze in mindering zal komen op het faillissementstekort waarvoor [appellant] al aansprakelijk is en de inschrijving van het bestuursverbod bij de Kamer van Koophandel voor een groot deel de naleving daarvan garandeert.

4 De vorderingen in hoger beroep

4.1

[appellant] kan zich met deze beslissingen van de rechtbank niet verenigen. In hoger beroep vordert hij dat het hof de bestreden vonnissen zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van de curator alsnog zal afwijzen, met veroordeling van de curator in de kosten van beide instanties.

4.2

De curator vordert in incidenteel appel dat het hof het bestreden eindvonnis gedeeltelijk (voor wat betreft de rov. 3.19 en 3.20 van dit vonnis en het in het dictum opgelegde bestuursverbod) vernietigt en, opnieuw rechtdoende, aan [appellant] ex artikel 106a Fw een bestuursverbod oplegt voor de duur van vijf (5) jaar – althans voor een door het gerechtshof in goede justitie te bepalen duur – en aan [appellant] een dwangsom oplegt van € 1.000,- – althans een door het gerechtshof in goede justitie te bepalen bedrag – per dag (een dagdeel daaronder begrepen) waarop [appellant] niet aan het bestuursverbod voldoet, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in beide instanties, te vermeerderen met rente en nakosten.

4.3

Het hof stelt vast dat geen grieven zijn gericht tegen het bestreden tussenvonnis, waarbij op grond van artikel 106c lid 2 Fw aan [Beheer BV], CSR en CSH Detachering een zienswijze is gevraagd.

5 Beoordeling van de grieven