Home

Gerechtshof Den Haag, 20-10-2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:2923, 2200472518

Gerechtshof Den Haag, 20-10-2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:2923, 2200472518

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
20 oktober 2020
Datum publicatie
23 mei 2022
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2020:2923
Formele relaties
Zaaknummer
2200472518

Inhoudsindicatie

Gepubliceerd n.a.v. het arrest van de Hoge Raad ECLI:NL:HR:2022:571.

Uitspraak

Rolnummer: 22-004725-18

Parketnummer: 10-680734-16

Datum uitspraak: 20 oktober 2020

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 20 november 2018 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedatum],

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij, op of omstreeks 02 november 2016 te Dordrecht, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een breuk van de oogkas (doorlopend naar de voorzijde van de schedel) en/of een breuk van de kaakholte, heeft toegebracht door die [slachtoffer] meermalen (met kracht) tegen het hoofd en/of in het gezicht te schoppen en/of te trappen;

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij, op of omstreeks 02 november 2016 te Dordrecht, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer] meermalen (met kracht) tegen het hoofd en/of in het gezicht heeft geschopt en/of getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij, op of omstreeks 02 november 2016 te Dordrecht, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een breuk van de oogkas (doorlopend naar de voorzijde van de schedel) en/of een breuk van de kaakholte, heeft toegebracht door die [slachtoffer] meermalen (met kracht) tegen het hoofd en/of in het gezicht te schoppen en/of te trappen.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

De raadsman van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken, nu er geen, althans onvoldoende bewijs is dat het de verdachte is geweest die [slachtoffer] heeft toegetakeld.

Het hof verwerpt dit verweer en is op grond van de in hoger beroep afgelegde verklaringen door getuige [getuige] en de verdachte niet tot een ander inzicht gekomen dan de rechtbank en acht op basis van dezelfde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat het de verdachte was die tezamen en in vereniging met een ander [slachtoffer] heeft toegetakeld.

Met de rechtbank overweegt het hof dat [slachtoffer] kort na de mishandeling zelf naar de politie is gegaan en daar een (deels) gedetailleerde aangifte tegen de verdachte heeft gedaan. De verklaringen die de verdachte en [medeverdachte] bij de politie hebben afgelegd, sluiten goed aan bij de verklaring van [slachtoffer]. Verder worden deze drie verklaringen ondersteund door de verklaringen van verschillende andere getuigen, die hebben gezien dat de twee personen die in de zwarte Ford achter [slachtoffer] aanreden, degenen zijn die hem hebben mishandeld. Met de rechtbank acht het hof deze verklaringen geloofwaardig en bezigt deze voor het bewijs.

Het hof heeft sterke twijfels over het waarheidsgehalte van de verklaringen die door [slachtoffer] ter terechtzitting in eerste aanleg en bij de rechter-commissaris zijn afgelegd. In deze verklaringen komt hij zonder enige argumentatie terug op zijn aangifte. Het hof twijfelt ook sterk aan het waarheidsgehalte van de verklaring die [medeverdachte] op de terechtzitting in eerste aanleg heeft afgelegd. Deze verklaring wijkt op essentiële onderdelen af van de door de verdachte afgelegde verklaringen, met haar eigen eerder afgelegde verklaring en is bovendien niet te rijmen met hetgeen meerdere onafhankelijke getuigen ter plaatse hebben waargenomen.

De schriftelijke verklaring van [getuige2] kon vanwege diens overlijden niet geverifieerd worden en is ongerijmd omdat het slachtoffer volgens deze lezing van de feiten al op een eerder moment een bebloed gezicht zou hebben gehad hetgeen steun vindt in noch de bij de politie noch ter terechtzitting in eerste aanleg afgelegde verklaringen van de verdachte. Dat de verdachte over een dergelijk niet onbelangrijke detail pas verklaart op de terechtzitting in hoger beroep – uit eigen waarnemen zoals hij heeft verklaard – maakt diens ontkennende verklaring ter terechtzitting in hoger beroep nog twijfelachtiger dan zijn eerder afgelegde verklaringen al waren.

Tot slot doet de verklaring die de getuige [getuige] bij de raadsheer-commissaris heeft afgelegd, geen afbreuk aan haar eerder ten overstaan van de politie afgelegde verklaring.

Verweer

De raadsman van de verdachte heeft aangevoerd dat het proces-verbaal van bevindingen van de politie, eenheid Rotterdam, nummer PL [nummer], van het bewijs moet worden uitgesloten nu dat een verklaring van de verdachte betreft zonder dat aan hem de cautie was gegeven of rechtsbijstand was verleend.

Het hof verwerpt dit verweer. Het stond de verbalisant, gegeven de omstandigheden waaronder dat telefoongesprek plaatsvond, vrij om datgene te relateren dat de verdachte telefonisch spontaan uit eigen beweging aan hem toevertrouwde. Uit het proces-verbaal blijkt dat het de bedoeling was om de verdachte voor verhoor uit te nodigen op het politiebureau en dat er aan de telefoon geen sprake was van een verhoorsituatie. In het proces-verbaal staat immers na het relaas over wat de verdachte vertelde het volgende vermeld:

“Ik, verbalisant, heb tijdens het telefoongesprek geen enkele vraag gesteld over het feit waarvan hij verdacht wordt. Ik heb hem diverse keren verteld dat ik het niet over de zaak wilde hebben over de telefoon maar tijdens het verhoor op het politiebureau. Hij heeft in zijn emotie het bovengenoemde verhaal wel drie keer herhaald.”

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het primair bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van zware mishandeling.

BESLISSING