Gerechtshof Den Haag, 08-05-2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:893, 200.268.638/01 en 200.268.638/02
Gerechtshof Den Haag, 08-05-2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:893, 200.268.638/01 en 200.268.638/02
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Den Haag
- Datum uitspraak
- 8 mei 2020
- Datum publicatie
- 27 mei 2020
- ECLI
- ECLI:NL:GHDHA:2020:893
- Formele relaties
- Cassatie: ECLI:NL:HR:2021:997, Bekrachtiging/bevestiging
- Zaaknummer
- 200.268.638/01 en 200.268.638/02
Inhoudsindicatie
Gedrag alimentatiegerechtigde (kinderontvoering met bijkomende omstandigheden) naar objectieve maatstaven bezien dermate grievend dat lotsverbondenheid van de alimentatieplichtige jegens de alimentatiegerechtigde hierdoor is verbroken. Verzoek om partneralimentatie afgewezen. Ambtshalve veroordeling in de proceskosten.
Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Afdeling civiel recht
zaaknummers : 200.268.638/01 en 200.268.638/02
rekestnummer rechtbank : FA RK 18-2427 (echtscheiding)
zaaknummer rechtbank : C/09/550871 (echtscheiding)
beschikking van de meervoudige kamer van 6 mei 2020
inzake
[appellante] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in het principaal hoger beroep,
verweerster in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. A.H. van Haga te Den Haag,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in het principaal hoger beroep,
verzoeker in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. E.D.A. Geleijns te Den Haag.
1 Het verloop van het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Den Haag van 1 augustus 2019, alsmede naar de tussenbeschikking van 5 april 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
2 Het geding in hoger beroep
De vrouw is op 1 november 2019 in hoger beroep gekomen van genoemde beschikking van 1 augustus 2019 (hierna: de bestreden beschikking). Het hoger beroep is bij het hof ingeschreven onder zaaknummer 200.268.638/01. Het hoger beroepschrift van de vrouw houdt tevens in een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening. Dit verzoek is separaat bij het hof ingeschreven onder zaaknummer 200.268.638/02.
De man heeft op 22 januari 2020 een verweerschrift, tevens houdende incidenteel hoger beroep, ingediend.
De vrouw heeft op 18 februari 2020 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep van de man ingediend.
Bij het hof zijn verder de volgende stukken ingekomen:
van de zijde van de vrouw
op 28 november 2019 een journaalbericht van diezelfde datum, met bijlagen;
op 12 december 2019 een journaalbericht van diezelfde datum, met bijlagen;
op 21 januari 2020 een brief van diezelfde datum, met bijbehorend journaalbericht, met bijlagen;
op 11 februari 2020 een brief van diezelfde datum, met bijbehorend journaalbericht, met bijlagen;
op 17 februari 2020 een brief van diezelfde datum, met bijbehorend journaalbericht, met bijlagen;
van de zijde van de man
op 7 februari 2020 een brief van diezelfde datum, met bijbehorend journaalbericht, met bijlagen;
op 11 februari 2020 een brief van diezelfde datum, met bijbehorend journaalbericht, met bijlage;
op 18 februari 2020 een brief van diezelfde datum, met bijbehorend journaalbericht, met bijlagen.
De mondelinge behandeling heeft op 21 februari 2020 plaatsgevonden.
Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. De vrouw is tevens bijgestaan door [tolk] , tolk in de Portugese taal. Beide advocaten hebben ter zitting pleitnotities overgelegd.
3 De feiten
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast:
partijen zijn [in] 2003 te [plaats] met elkaar gehuwd;
zij zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2015 te [geboorteplaats] (hierna: de minderjarige);
In hoger beroep is verder het volgende vast komen te staan:
de echtscheiding, uitgesproken bij de bestreden beschikking, is op 16 januari 2020 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand;
de minderjarige is ingevolge een uitspraak van de Braziliaanse rechter van 28 augustus 2019 in het kader van een kinderontvoeringsprocedure op 17 september 2019 vanuit Brazilië naar Nederland teruggeleid;
bij beschikking van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 30 december 2019 is - voor zover in hoger beroep van belang - bepaald dat de minderjarige met ingang van de datum van die beschikking aan de vader zal worden toevertrouwd.