Gerechtshof Den Haag, 27-05-2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:974, 200.276.896/01
Gerechtshof Den Haag, 27-05-2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:974, 200.276.896/01
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Den Haag
- Datum uitspraak
- 27 mei 2020
- Datum publicatie
- 28 mei 2020
- ECLI
- ECLI:NL:GHDHA:2020:974
- Zaaknummer
- 200.276.896/01
Inhoudsindicatie
Het hof acht aannemelijk dat de man als dga geen dividend meer kan uitkeren. Bij uitkeren van dividend dient rekening te worden gehouden met de dwingendrechtelijke bepalingen van boek 2 BW waaronder de uitkeringstest zoals opgenomen in art 2:216 lid 3 BW. Of de man terecht zijn salaris heeft verlaagd dient hij aan te tonen aan de hand van recente financiële gegevens van de BV waaronder de operationele kasstroom van de BV over 2020. In de operationele kasstroom is mede verwerkt het salaris van de dga.
Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Afdeling civiel recht
zaaknummer : 200.276.896/01
rekestnummer rechtbank : FA RK 18-4639
zaaknummer rechtbank : C/09/555570
Beschikking van de meervoudige kamer van 27 mei 2020
inzake het verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen ex artikel 223 Rv
[appellant] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. M.A. Ossentjuk te Leiden,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. A.M.M. de Waal te Bergen op Zoom.
1 Het verloop van het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Den Haag van 22 oktober 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking).
2. Het geding in hoger beroep in de hoofdzaak en het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening
De man is op 16 januari 2019 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Dit hoger beroep is bij het hof ingeschreven onder zaaknummer 200.253.038/01 (verder ook te noemen: de hoofdzaak). De man heeft vervolgens op 7 april 2020 bij apart verzoekschrift een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ex artikel 223 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) ingediend. Dit verzoek is bij het hof ingeschreven onder zaaknummer 200.276.896/01.
De vrouw heeft op 6 mei 2020 een verweerschrift op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend.
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
- een journaalbericht van de zijde van de man van 21 april 2020 met bijlage, ingekomen op diezelfde datum;
- een journaalbericht van de zijde van de man van 6 mei 2020 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum.
De mondelinge behandeling heeft op 7 mei 2020 via Skype plaatsgevonden ten overstaan van mr. K.M. Braun als raadsheer-commissaris. Partijen hebben voorafgaand aan de zitting verklaard in te stemmen met een behandeling ten overstaan van de raadsheer-commissaris.
Verschenen zijn:
- de advocaat van de man, mr. M.A. Ossentjuk;
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat mr. A.M.M. de Waal.
De man is, met bericht van verhindering, niet ter zitting verschenen.
3 De feiten
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.
Partijen zijn gehuwd geweest tot 20 april 2017.
Partijen zijn de ouders van de volgende thans nog minderjarige kinderen:
- [de minderjarige 1] , geboren [in] 2006 te [geboorteplaats] ;
- [de minderjarige 1] , geboren [in] 2008 te [geboorteplaats]
(hierna: de minderjarigen).
De minderjarigen verblijven bij de vrouw.
Voorafgaand aan de bestreden beschikking heeft het gerechtshof te Den Haag bij beschikking van 29 november 2017 , voor zover hier van belang, bepaald dat de uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw ten laste van de man (hierna: partneralimentatie) met ingang van de datum waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand € 2.673,- per maand bedraagt. Daarmee heeft het hof de beschikking van de rechtbank bekrachtigd ten aanzien van op het verzoek van de man om limitering van de partneralimentatie.
4 De omvang van het geschil
In geschil is de voorlopige voorziening die de man heeft verzocht ten aanzien van het bedrag aan partneralimentatie dat de man moet betalen aan de vrouw.
De man heeft in de hoofdzaak het navolgende gevorderd:
Vernietiging van de beschikking van de rechtbank Den Haag van 22 oktober 2018 voor zover dit betreft de verzoeken van de man, en opnieuw beschikkende, met wijziging van het verzoek in eerste aanleg daar waar het de ingangsdatum van de nihilstelling van de door de man te betalen bijdrage betreft – alsnog te bepalen:
- dat de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw – vanwege het ontbreken van draagkracht aan de zijde van de man, per 1 januari 2019 – nihil bedraagt, althans een zodanig bedrag bedraagt, per zodanige ingangsdatum als het hof juist acht;
- dat de (eventueel) door de man te betalen bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw na 5 jaar, na de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in het daartoe bestemde register, derhalve op 20 april 2022, wordt gelimiteerd/beëindigd, op een zodanige datum als het hof juist acht;
- de te geven beschikking zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De man heeft in onderhavige procedure als voorlopige voorziening gevorderd:
Primair:
1. de werking van de beschikking van het Gerechtshof Den Haag van 29 november 2017 (200.209.699/01, 02 en 03 en 200.209.700.01), daar waar het betreft de door de man aan de vrouw te betalen uitkering tot haar levensonderhoud, per 1 april 2020, te schorsen totdat in de lopende bodemprocedure ten overstaan van het hof over de hoogte van de door de man te betalen partneralimentatie door het hof definitief is beslist;
Subsidiair:
2. dan wel per 1 april 2020 tijdelijk, en met wijziging van de beschikking van het Gerechtshof Den Haag van 29 november 2017, een zodanig lager bedrag aan partneralimentatie vast te stellen als het hof rechtens juist acht, dit totdat in de hoofdzaak over de hoogte van de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie definitief door het hof is beslist.
En voor het geval ten tijde van de behandeling van onderhavig verzoek door de vrouw – onder dreiging van executie van de beschikking van het hof van 29 november 2017 – van de zijde van de man inmiddels betaling is afgedwongen, verzoekt de man het hof:
3. te bepalen, en de vrouw daartoe te veroordelen, dat het door de vrouw ontvangen bedrag aan partneralimentatie, daar waar het betreft de periode vanaf 1 april 2020, door de vrouw aan de man dient te worden terugbetaald, voor zover dit bedrag het bedrag aan partneralimentatie zoals door het hof zal worden vastgesteld, overstijgt.
De man verzoekt het hof tot slot de beschikking zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Het verweer van de vrouw ten aanzien van de verzochte voorlopige voorziening strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de man in zijn verzoek, althans hem deze te ontzeggen door deze af te wijzen en de man te veroordelen in de proceskosten.