Home

Gerechtshof Den Haag, 06-04-2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:1549, 200.275.043

Gerechtshof Den Haag, 06-04-2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:1549, 200.275.043

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
6 april 2021
Datum publicatie
25 augustus 2021
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2021:1549
Zaaknummer
200.275.043

Inhoudsindicatie

Betaling achterstallige huurpenningen na ontbinding en ontruiming gehuurde. Vordering tot vernietiging boetebeding afgewezen. Matiging boete. Geen wettelijke handelsrente over de boete en de BGK, maar wettelijke rente.

Uitspraak

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.275.043/01

Rolnummer rechtbank : 7821837 RL EXPL 19-13178

Arrest van 6 april 2021

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. W. Suttorp te Rotterdam,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. V.K.S. Budhu Lall te Den Haag.

1 Het geding

1.1.

Het hof heeft kennisgenomen van de volgende processtukken:

- het procesdossier van de eerste aanleg, waaronder het op 22 oktober 2019 tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag (hierna: het vonnis);

- de dagvaarding in hoger beroep van 20 januari 2020;

- de memorie van grieven;

- de memorie van antwoord met vijf producties.

1.2.

Op 1 maart 2021 hebben partijen met hun advocaten de standpunten verder mondeling toegelicht. Zij hebben daarbij gebruik gemaakt van pleitaantekeningen die zij aan elkaar en aan het hof hebben overhandigd. Vervolgens hebben partijen het hof gevraagd uitspraak toe doen.

2 De vaststaande feiten

2.1.

De door kantonrechter in het vonnis vastgestelde feiten zijn niet in geschil. Ook het hof zal daar van uitgaan. Mede in aanmerking nemend wat in hoger beroep tussen partijen vaststaat, gaat het hof uit van de volgende feiten.

2.2.

Partijen hebben op 2 februari 2018 een huurovereenkomst gesloten betreffende de verhuur door [geïntimeerde] aan [appellant] van de bedrijfsruimte gelegen op de begane grond en kantoorruimte gelegen op de eerste verdieping op het adres [adres] (hierna: het gehuurde). De huurovereenkomst is gesloten voor de duur van vijf jaar, ingaande op 1 februari 2018. De huurprijs bedroeg € 1.400,00 exclusief btw per maand, bij vooruitbetaling te voldoen.

2.3.

Op de huurovereenkomst zijn de ‘Algemene bepalingen huurovereenkomst kantoorruimte en andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:230a BW’ (hierna: de Algemene Bepalingen) van toepassing verklaard. Artikel 23.2 van de Algemene Bepalingen (hierna: het boetebeding) luidt, voor zover van belang:

“23.2 Telkens indien een uit hoofde van de huurovereenkomst door Huurder verschuldigd bedrag niet prompt op de vervaldag is voldaan, verbeurt Huurder aan de Verhuurder van rechtswege per kalendermaand vanaf de vervaldag van dat bedrag een direct opeisbare boete van 1% van het verschuldigde per kalendermaand, waarbij elke ingetreden maand als een volle maand geldt, met een minimum van € 300, per maand. (...)”

2.4.

Vanaf december 2018 is een huurachterstand ontstaan. Hierover heeft tussen partijen de volgende WhatsApp-conversatie plaatsgevonden:

Op 11 december 2018:

[geïntimeerde]: Huur December nog niet ontvangen

[appellant]: Ik maak het in orde

[geïntimeerde]: Thanks

Op 28 december 2018:

[appellant]: Goedenavond meneer [geïntimeerde]

Ik denk dat ik bij mij onderneming de stekker eruit moet trekken

Op 29 december 2018:

[geïntimeerde]: Dit geen goed bericht. Handel aub zoals omschreven in het contract.

[appellant]: Dat probeer ik u uit te leggen ik kom niet meer rond

2.5.

Partijen hebben op 4 februari 2019 een bespreking gehad over de ontstane situatie.

2.6.

[geïntimeerde] heeft [appellant] bij brief van 7 februari 2019 gesommeerd om de achterstallige huurpenningen te betalen. Dit heeft niet tot betaling geleid.

2.7.

Bij e-mail van 1 maart 2019 heeft [geïntimeerde] onder meer het volgende aan [appellant] geschreven:

“(...)

Jij hebt aangegeven de huur van [adres] niet meer te kunnen betalen en inmiddels is de huurachterstand opgelopen tot 4 maanden. Verder had je aangegeven de sleutels uiterst 28 februari 2019 in te leveren maar zelfs dat heb je niet gedaan. Zo lopen de kosten gestaag op en hoop wel dat je er bewust bent als ondernemer zijnde.

Jij hebt tot nu toe niet eens een verzoek tot huurbeëindiging schriftelijk ingediend welke een vereiste is om tot een huurontbinding te komen.

Ik ben in maart uitlandig en voor verdere afhandeling verwijs ik je naar mijn zaakwaarnemer: [volgt naam en contactgegevens van de zaakwaarnemer, toevoeging hof]

Indien het pand in oude staat is teruggebracht kunt u de sleutels bij hem afgeven en als ik terug ben dan neem ik persoonlijk de stand van zaken op.

De financiele afwikkeling heb ik eveneens bij hem ondergebracht en dit kan je met hem afhandelen.

(...)”

2.8.

Ten tijde van het uitbrengen van de inleidende dagvaarding bedroeg de huurachterstand € 8.400,00. In september 2019 was de achterstand opgelopen tot

€ 15.400,00.

2.9.

[appellant] heeft het gehuurde na het vonnis niet ontruimd opgeleverd en heeft de sleutels van het gehuurde niet ingeleverd. [geïntimeerde] heeft de sloten van het gehuurde vervangen en heeft zelf zorg gedragen voor de ontruiming.

3 De procedure in eerste aanleg

3.1.

In eerste aanleg heeft [geïntimeerde], na vermeerdering van eis – beknopt weergegeven – gevorderd dat de kantonrechter bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:

- [appellant] veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 21.509,74 (inclusief buitengerechtelijke incassokosten, contractuele boete, griffiekosten en wettelijke handelsrente tot en met 30 september 2019), te vermeerderen met wettelijke handelsrente;

- de huurovereenkomst ontbindt;

- [appellant] veroordeelt tot ontruiming van het gehuurde;

- [appellant] veroordeelt in de proceskosten.

3.2.

[geïntimeerde] heeft aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd dat [appellant] is tekortgeschoten in de nakoming van de huurovereenkomst en dat deze tekortkoming de ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt.

3.3.

[appellant] heeft verweer gevoerd.

3.4.

De kantonrechter heeft de vorderingen van [geïntimeerde] toegewezen. Daartoe heeft de kantonrechter – samengevat – het volgende overwogen:

- [appellant] heeft de hoogte van de huurachterstand niet weersproken;

- het verweer van [appellant] dat [geïntimeerde] de schade had moeten beperken door mee te werken aan een tussentijdse beëindiging van de huurovereenkomst en het vinden van een nieuwe huurder faalt;

- het verweer dat de openstaande huursom moet worden verrekend met de door [appellant] betaalde borg faalt;

- de huurachterstand van 11 maanden rechtvaardigt de ontbinding van de overeenkomst en ontruiming;

- [appellant] heeft de gevorderde incassokosten en contractuele boete onvoldoende weersproken.

4 Het geschil in hoger beroep

5 De beoordeling

6 Beslissing