Home

Gerechtshof Den Haag, 20-07-2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:1387, 200.238.920/01

Gerechtshof Den Haag, 20-07-2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:1387, 200.238.920/01

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
20 juli 2022
Datum publicatie
29 juli 2022
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2022:1387
Zaaknummer
200.238.920/01

Inhoudsindicatie

Het hof stelt het inkomen van de IB-ondernemer vast. Ook de IB-ondernemer dient over een buffervermogen te beschikken, derhalve kan niet de gehele winst uit onderneming in de draagkracht van de man worden meegenomen. De IB-ondernemer brengt zijn onderneming in, in een BV. Het hof gaat na de inbreng uit van het loon dat de man als DGA ontvangt.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel recht

zaaknummer : 200.238.920/01

zaaknummer rechtbank : C/09/520035

rekestnummer rechtbank : FA RK 16-7840

beschikking van de meervoudige kamer van 20 juli 2022

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. P. Vellekoop te Honselersdijk,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. A.A.M. Zeeman te Voorburg.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Den Haag van 13 februari 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, hierna: de bestreden beschikking.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De man is op 9 mei 2018 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.

2.2

De vrouw heeft op 19 juni 2018 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.

2.3

De man heeft op 30 augustus 2018 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.

2.4

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de man:

een journaalbericht van 11 oktober 2018 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;

van de zijde van de vrouw:

een journaalbericht van 9 oktober 2018 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum.

2.5

De mondelinge behandeling heeft op 12 oktober 2018 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

2.6

Nadien heeft de advocaat van de man bij journaalbericht van 16 november 2018 het hof het volgende bericht:

“Partijen gaan in mediation bij mevrouw [naam] en verzoeken om aanhouding van de procedure/beschikking van uw hof. Verder kiezen partijen voor prorogatie van de procedure bij de rechtbank die aldaar bekend is onder nummer C/09/554424, een en ander voor het geval

de mediation niet tot overeenstemming leidt.”

2.7

Het hof heeft vervolgens meerdere malen op verzoek van partijen de behandeling van de zaak pro forma aangehouden in afwachting van de resultaten van de mediation.

2.8

Op het laatstelijk door partijen ingediende verzoek om pro forma aanhouding van de zaak voor de duur van drie maanden in afwachting van een minnelijke regeling (van de zijde van de man ingediend bij journaalbericht van 11 oktober 2021 en van de zijde van de vrouw ingediend op diezelfde datum), heeft het hof bij brief van 29 oktober 2021 negatief beslist. Het hof heeft partijen verzocht om binnen 14 dagen recente financiële gegevens over te leggen alsmede verhinderdata voor de komende maanden, zodat het hof een nieuwe mondelinge behandeling kan bepalen.

2.9

Naar aanleiding van de verhinderdata van partijen is de voortgezette mondelinge behandeling bepaald op 17 februari 2022.

2.10

Vervolgens zijn bij het hof ingekomen:

van de zijde van de man:

- een journaalbericht van 7 februari 2022 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;

van de zijde van de vrouw:

- een journaalbericht van 12 november 2021 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;

- een journaalbericht van 7 februari 2022 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;

- een journaalbericht van 8 februari 2022 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum.

2.11

Voorafgaand aan de geplande voortgezette mondelinge behandeling van 17 februari 2022 heeft het hof per e-mailbericht van 11 februari 2022 het volgende aan partijen bericht:

“Geachte heer, mevrouw,

Op 17 februari vindt de voortzetting van de mondelinge behandeling in bovengemelde zaak plaats. In het kader van de plicht van het hof ter bewaking van de voortgang van de procedure heeft het hof deze mondelinge behandeling gepland.

Voorafgaand daaraan zou het hof graag schriftelijk op de hoogte worden gesteld over de huidige stand van zaken met betrekking tot nog tussen partijen bestaande geschilpunten.

Ter zitting wenst het hof te bespreken:

-

de eventuele mogelijkheid van onderlinge overeenstemming over deze geschilpunten onder regie van het hof;

-

zonodig een bespreking van de financiële positie van partijen en de toedeling van de voormalige echtelijke woning (peildatum waardering, waarde woning, mogelijkheden financiering).”

2.12

De geplande mondelinge behandeling van 17 februari 2022 heeft wegens omstandigheden aan de zijde van het hof gelegen niet kunnen plaatsvinden.

2.13

Vervolgens is de voortgezette mondelinge behandeling bepaald op 22 april 2022.

2.14

Van de zijde van de man is nog ingekomen:

- een journaalbericht van 11 april 2022 met bijlagen, ingekomen op 12 april 2022;

- een journaalbericht van 21 april 2022 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;

- een journaalbericht van 21 april 2022 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum.

Van de zijde van de vrouw is nog ingekomen:

- een e-mailbericht van 14 april 2022, ingekomen op diezelfde datum;

- op 21 april 2022 een journaalbericht van diezelfde datum met bijlagen.

2.15

De mondelinge behandeling is vervolgens op 22 april 2022 voortgezet. Verschenen zijn:

-

de man, bijgestaan door zijn advocaat;

-

de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

De advocaat van de man heeft pleitnotities overgelegd.

3 De feiten

3.1

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2

Partijen zijn op [huwelijksdatum] 2008 te [plaats] in de wettelijke gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd.

3.3

Bij beschikking van 29 oktober 2015 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. Verder zijn partijen, uitvoerbaar bij voorraad, bevolen over te gaan tot verdeling van hun huwelijksgemeenschap.

3.4

De echtscheidingsbeschikking is op 11 maart 2016 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

4 De omvang van het geschil

5 De motivering van de beslissing

6 De beslissing