Home

Gerechtshof Den Haag, 23-08-2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:1999, 200.285.495/01

Gerechtshof Den Haag, 23-08-2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:1999, 200.285.495/01

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
23 augustus 2022
Datum publicatie
29 november 2022
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2022:1999
Zaaknummer
200.285.495/01

Inhoudsindicatie

Onverschuldigde betaling na faillissement. Concurrente boedelvordering. Geen sprake van onmiskenbare vergissing. Persoonlijke aansprakelijkheid curator. Maclou-norm.

Uitspraak

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer hof : 200.285.495/01Zaaknummer rechtbank : 8575420 RL EXPL 20-10271

Arrest van 23 augustus 2022

in de zaak van

1 [appellant 1],

wonende te [woonplaats],

2. [appellant 2],

wonende te [woonplaats]

appellanten in principaal hoger beroep,

geïntimeerden in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

advocaat: [appellant 1] te [vestigingsplaats],

tegen

mr. Liebegien Alexandra Brascamp q.q., zowel in haar hoedanigheid van curator in het faillissement van Rema & Slappendel B.V. als in persoon,

wonende en kantoorhoudende te Voorburg, gemeente Leidschendam-Voorburg,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellante in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. M. Spaa te Voorburg.

Het hof zal appellanten hierna gezamenlijk [appellant] (mannelijk enkelvoud), en afzonderlijk [appellant 1] en [appellant 2] noemen.

Geïntimeerde zal hierna de curator respectievelijk de curator in persoon worden genoemd.

1 De zaak in het kort

In deze procedure vordert [appellant] het bedrag dat hij op basis van een vonnis - achteraf, na vernietiging van dat vonnis in hoger beroep - onverschuldigd heeft betaald aan de boedel in het faillissement van Rema & Slappendel B.V., terug van de curator. De vraag is of de vordering van [appellant] als een concurrente boedelvordering heeft te gelden of dat de curator gehouden is tot onmiddellijke terugbetaling, ongeacht of sprake is van een negatieve boedel.

2 Procesverloop in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:

-

de dagvaarding van 27 oktober 2020, waarmee [appellant] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 20 oktober 2020 (hierna: het bestreden vonnis);

-

het arrest van dit hof van 22 december 2020, waarin een mondelinge behandeling is gelast;

-

het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 5 februari 2021;

-

de memorie van grieven van [appellant];

-

de memorie van antwoord, tevens inhoudende voorwaardelijk incidenteel appel van de curator;

-

de memorie van antwoord in het voorwaardelijk incidenteel appel.

2.2

Partijen hebben vervolgens om arrest gevraagd, dat het hof nader heeft bepaald op heden.

3 Feiten

4 Procedure bij de rechtbank

5 Vorderingen in hoger beroep

6 Beoordeling in hoger beroep

7 Beslissing