Gerechtshof Den Haag, 09-11-2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:2276, 200.306.661/01
Gerechtshof Den Haag, 09-11-2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:2276, 200.306.661/01
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Den Haag
- Datum uitspraak
- 9 november 2022
- Datum publicatie
- 18 november 2022
- ECLI
- ECLI:NL:GHDHA:2022:2276
- Zaaknummer
- 200.306.661/01
Inhoudsindicatie
Bekrachtiging beslissing rechtbank ter zake van het gezamenlijk gezag; zorgregeling onder regie van gecertificeerde instelling
Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Afdeling civiel recht
zaaknummer : 200.306.661/01
zaaknummer rechtbank : C/10/569129
rekestnummer rechtbank : FA RK 19-1840
beschikking van de meervoudige kamer van 9 november 2022
inzake
[appellante] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. E.M.F. Prickartz te Schiedam
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats] , België,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. W.L. Bos te Dordrecht.
Als informant is aangemerkt:
Jeugdbescherming West,
gevestigd te Gouda,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.
In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:
de raad voor de kinderbescherming Rotterdam,
hierna te noemen: de raad.
1 Het verloop van het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de (tussen)beschikkingen van de rechtbank Rotterdam van 3 juni 2019 en 27 november 2019 en de (eind)beschikking van 12 november 2021 (hierna: de bestreden beschikking), uitgesproken onder voormeld zaak- en rekestnummer.
2 Het geding in hoger beroep
De moeder is op 10 februari 2022 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
De vader heeft op 5 april 2022 een verweerschrift ingediend.
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
van de zijde van de moeder:
- op 3 maart 2022 een brief van 28 februari 2022 met bijlagen;
- op 6 mei 2022 een brief van 4 mei 2022 met bijlagen;
- op 7 juli 2022 een journaalbericht van 6 juli 2022 met bijlage.
De mondelinge behandeling heeft op 11 oktober 2022 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de gecertificeerde instelling, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] ;
- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad 1] en [vertegenwoordiger van de raad 2] .
3 De feiten
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.
Partijen zijn de ouders van [naam minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: de minderjarige).
De vader heeft de minderjarige erkend.
Bij voormelde (tussen)beschikking van 3 juni 2019 heeft de rechtbank een voorlopige omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige bepaald, inhoudende dat de vader in de gelegenheid wordt gesteld contact te hebben met de minderjarige bij het omgangshuis, waarbij tijdstippen, duur, aantal, frequentie en inhoud van de contacten worden bepaald door de medewerkers van het omgangshuis na overleg met de partijen. Iedere verdere beslissing is aangehouden in afwachting op het verloop van de omgangscontacten.
Bij voormelde (tussen)beschikking van 27 november 2019 is - voor zover in dit hoger beroep van belang - de zaak voor wat betreft een beslissing ten aanzien van de omgang en het gezag aangehouden.
In hoger beroep is gebleken dat de minderjarige bij beschikking van 22 juni 2022 van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam onder toezicht is gesteld van de gecertificeerde instelling voor de periode van 22 juni 2022 tot 22 juni 2023.