Gerechtshof Den Haag, 06-12-2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:2372, 200.299.611/01
Gerechtshof Den Haag, 06-12-2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:2372, 200.299.611/01
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Den Haag
- Datum uitspraak
- 6 december 2022
- Datum publicatie
- 13 december 2022
- ECLI
- ECLI:NL:GHDHA:2022:2372
- Zaaknummer
- 200.299.611/01
Inhoudsindicatie
In het incident gaat het over de vraag of een ontbonden maatschap als procespartij kan optreden.
Uitspraak
Afdeling Civiel recht
Zaaknummer hof: 200.299.611/01
Zaaknummer rechtbank: 8263966 CV \ EXPL 20-1510
arrest van 6 december 2022 in het incident
in de zaak van
de maatschap Lawton Advocaten,
gevestigd te Breda,
appellante in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
hierna te noemen: Lawton,
advocaat: mr. D.D. Weeland te Breda,
tegen
[...] Stichting,
gevestigd te Rotterdam,
geïntimeerde in de hoofzaak,
eiseres in het incident,
hierna te noemen: de Stichting,
advocaat: mr. S.A.A.C. van Gassen te Breda.
1 De zaak in het kort
In de hoofdzaak vordert Lawton betaling van de door de Stichting (beweerdelijk) onbetaald gelaten declaraties. Bij vonnis van de kantonrechter zijn de vorderingen afgewezen. Lawton is van dit vonnis in hoger beroep gekomen. De Stichting heeft vervolgens een incident opgeworpen tot niet-ontvankelijkverklaring van Lawton in haar hoger beroep en tot veroordeling van de advocaat van Lawton in de kosten van het geding. De Stichting stelt daartoe dat zij ontdekt heeft dat sprake is van een niet-bestaande partij.
Het hof wijst de incidentele vorderingen van de Stichting af.
2 Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
de appeldagvaarding van 21 mei 2021, waarmee Lawton in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de kantonrechter te Rotterdam van 26 februari 2021 (hierna ook: het vonnis waarvan beroep);
de memorie van grieven;
de akte houdende incidentele vordering tot niet-ontvankelijkverklaring, met bijlagen;
de memorie van antwoord in het incident, met bijlagen;
de akte uitlaten in het incident aan de zijde van de Stichting, met bijlage;
de akte uitlaten in het incident aan de zijde van Lawton, met bijlagen.
Vervolgens is arrest in het incident bepaald.
3 De vordering in het incident
De Stichting vordert in het incident:
- Lawton niet-ontvankelijk te verklaren (naar het hof begrijpt:) in het hoger beroep;
- mr. Weeland te veroordelen in de kosten van het geding.
De Stichting voert daartoe aan dat Lawton een niet (langer) bestaande procespartij is. Ten tijde van het uitbrengen van de appeldagvaarding bestond geen maatschap met de naam Lawton of Lawton Advocaten, althans blijkt uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel dat deze maatschap(pen) op genoemd tijdstip reeds was (waren) opgeheven.
In het verlengde daarvan stelt de Stichting dat zelfs als de Stichting partij zou zijn geweest bij de opdracht die Lawton stelt te hebben aanvaard, het niet duidelijk is met welke van de twee maatschappen (te weten Lawton of Lawton Advocaten) zij zaken zou hebben gedaan. Blijkens productie 5 van Lawton (de overeenkomst van opdracht) is die opdracht niet aangegaan met Lawton Advocaten, maar met Lawton, terwijl het Lawton Advocaten is dat (blijkens de appeldagvaarding) in deze procedure als procespartij optreedt.
Omdat in hoger beroep geprocedeerd wordt namens een niet-bestaande procespartij dient op grond van art. 245 Rv mr. Weeland in de kosten van het incident te worden veroordeeld, aldus de Stichting.
Lawton heeft aangevoerd dat zij weliswaar op 1 januari 2018 is ontbonden, maar dat zij daarna is en zal blijven bestaan zolang haar vereffening voortduurt en niet is voltooid. Van een niet-bestaande procespartij, althans een partij die niet (langer) zelfstandig als procespartij kan optreden, is geen sprake. Ook voert Lawton aan dat het de Stichting te allen tijde duidelijk is geweest met welke maatschap Lawton zij van doen had. Het was immers Lawton als eisende partij tegen wie de Stichting – zonder protest en verweer ter zake – geprocedeerd heeft in eerste aanleg, zelf een incidentele vordering en reconventionele vordering heeft ingesteld, en na toewijzing van deze reconventionele vordering (bij tussenvonnis van 31 juli 2020) op grond van het eindvonnis van de kantonrechter (het vonnis waarvan beroep) Lawton tot betaling heeft gesommeerd en de betaling van Lawton zonder protest heeft aanvaard en in ontvangst heeft genomen. Het ontbreekt de Stichting dan ook aan een rechtens te respecteren belang bij het beroep op een onjuiste naamsvermelding, aldus Lawton.