Gerechtshof Den Haag, 11-10-2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:2863, 200.282.734/02
Gerechtshof Den Haag, 11-10-2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:2863, 200.282.734/02
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Den Haag
- Datum uitspraak
- 11 oktober 2022
- Datum publicatie
- 9 mei 2023
- ECLI
- ECLI:NL:GHDHA:2022:2863
- Formele relaties
- Cassatie: ECLI:NL:HR:2024:425
- Zaaknummer
- 200.282.734/02
Inhoudsindicatie
onrechtmatige rechtspraak; heeft de Hoge Raad het recht van de EU geschonden/ten onrechte geen prejudiciële vragen gesteld? vraag of forensenbelasting in strijd is met recht van de EU.
Uitspraak
Afdeling Civiel recht
Zaaknummer hof : 200.282.734/02Zaaknummer rechtbank : 7670750 RL EXPL 19-8141
Arrest van 11 oktober 2022
in de zaak van
[appellant] ,
wonend in [woonplaats], Italië,
appellant,
advocaat: mr. A.H. Vermeulen, kantoorhoudend in Den Haag,
tegen
de Staat der Nederlanden,
zetelend in Den Haag,
verweerder in hoger beroep,
advocaat: mr. G.A. Dictus, kantoorhoudend in Den Haag.
Het hof zal partijen hierna noemen [appellant] en de Staat.
1 De zaak in het kort
De gemeente Noordwijkerhout heeft aan [appellant] een aanslag forensenbelasting opgelegd omdat hij een recreatiewoning in Noordwijkerhout heeft en deze voor meer dan 90 dagen per jaar voor zichzelf beschikbaar houdt, terwijl hij in [woonplaats] woont. [appellant] is het niet met deze aanslag eens omdat hij vindt dat deze in strijd is met het recht van de Europese Unie (EU). Hij heeft een fiscale procedure gevoerd tot bij de Hoge Raad, maar die heeft hem in het ongelijk gesteld. [appellant] is nu een nieuwe procedure begonnen, omdat hij van mening is dat de uitspraak van de Hoge Raad in strijd is met het recht van de EU. Ook vindt [appellant] dat de Hoge Raad ten onrechte geen prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU heeft gesteld en zijn uitspraak onvoldoende heeft gemotiveerd. Hij vordert dat wordt bepaald dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld en dat de Staat wordt veroordeeld om hem schadevergoeding te betalen.
Het hof geeft [appellant] geen gelijk. Voordat de Staat aansprakelijk is voor een uitspraak van de rechter moet aan strenge vereisten zijn voldaan. Aan die vereisten is in dit geval niet voldaan. Het hof wijst de vorderingen van [appellant] af.
2 Procesverloop in hoger beroep
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
- -
-
de dagvaarding van 17 juni 2020, waarmee [appellant] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van (de kantonrechter in) de rechtbank Den Haag van 19 maart 2020;
- -
-
de memorie van grieven van [appellant] ;
- -
-
de memorie van antwoord van de Staat, met bijlagen;
- -
-
de pleitnotities van mr. L.E.C. Neve, gemachtigde, en mr. Dictus, die namens [appellant] respectievelijk de Staat het woord hebben gevoerd tijdens de mondelinge behandeling van 8 september 2022;
- -
-
het proces-verbaal van die mondelinge behandeling.
3 Feitelijke achtergrond
[appellant] woont in [woonplaats]. Hij is eigenaar van een onroerende zaak gelegen in de gemeente Noordwijkerhout. Het gaat om een recreatiewoning op een vakantiepark die [appellant] gebruikt als pied-à-terre bij familiebezoek in Nederland. Hij verhuurt deze woning niet.
[appellant] is door de gemeente Noordwijkerhout (hierna: de gemeente) aangeslagen voor de forensenbelasting, omdat hij als natuurlijk persoon op meer dan 90 dagen van een kalenderjaar een gemeubileerde woning voor zich of zijn gezin beschikbaar houdt. Over 2016 is [appellant] een aanslag forensenbelasting opgelegd van € 436.
[appellant] heeft bezwaar gemaakt tegen deze aanslag, omdat hij van mening is dat de forensenbelasting in strijd is met het vrij verkeer van kapitaal zoals dat gewaarborgd wordt door art. 63 Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU). Zijn bezwaar richt zich met name tegen het feit dat degenen die hun hoofdverblijf hebben in de gemeente en in diezelfde gemeente over een tweede woning beschikken, geen forensenbelasting verschuldigd zijn. De gemeente heeft het bezwaar ongegrond verklaard. Vervolgens is [appellant] tegen de uitspraak op bezwaar in beroep gegaan bij de rechtbank Den Haag. De rechtbank heeft bij uitspraak van 23 november 2017 het beroep ongegrond verklaard.
[appellant] heeft sprongcassatie ingesteld van de uitspraak van de rechtbank Den Haag. De Hoge Raad heeft bij arrest van 4 mei 2018 het cassatieberoep verworpen met toepassing van art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie (RO).1 Het parket bij de Hoge Raad heeft in die zaak geen conclusie genomen.