Home

Gerechtshof Den Haag, 01-03-2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:331, 200.302.894/01

Gerechtshof Den Haag, 01-03-2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:331, 200.302.894/01

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
1 maart 2022
Datum publicatie
14 maart 2022
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2022:331
Formele relaties
Zaaknummer
200.302.894/01

Inhoudsindicatie

Gedetineerde vordert bevel tot voorwaardelijke invrijheidsstelling wegens onverbindendheid artikel 6:6:8:Sv (oud). Artikel 6:6:8 Sv (oud) is niet onmiskenbaar onverbindend wegens strijd met artikel 5 EVRM. Vordering afgewezen.

Uitspraak

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.302.894/01

Zaaknummer rechtbank : C/09/615884/ KG ZA 21-747

arrest in kort geding van 1 maart 2022 (bij vervroeging)

inzake

[appellant] ,

gedetineerd te [plaats],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. R.D.A. van Boom te Utrecht,

tegen

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid),

zetelend te Den Haag,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de Staat,

advocaat: mr. C.M. Bitter te Den Haag.

1 De zaak in het kort

1.1

Deze zaak gaat over de vraag of [appellant] voorwaardelijk in vrijheid moet worden gesteld in afwachting van een beslissing van de rechter op de vordering van de officier van justitie om die voorwaardelijke invrijheidsstelling achterwege te laten.

1.2

Het hof wijst in dit arrest de vordering van [appellant] om de Staat te bevelen hem voorwaardelijk in vrijheid te stellen af. Naar het voorlopig oordeel van het hof is de voortdurende detentie van [appellant] hangende de beslissing op de vordering van de officier van justitie niet onrechtmatig, omdat zij berust op de wet (artikel 6:6:8 lid 5 (oud) van het Wetboek van Strafvordering (Sv)) en deze wettelijke bepaling niet in strijd is met artikel 5 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM).

2 Procesverloop

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:

- het dossier van het kort geding bij de voorzieningenrechter in de rechtbank Den

Haag;

-

het tussen partijen gewezen vonnis van de voorzieningenrechter van 21 oktober 2021 (hierna te noemen: het (bestreden) vonnis);

-

de dagvaarding in hoger beroep van 18 november 2021 met producties (het dossier uit eerste aanleg), waarin de grieven van [appellant] tegen het vonnis zijn opgenomen;

-

de memorie van antwoord van de Staat van 21 december 2021.

2.2

Op 14 februari 2022 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De standpunten van partijen zijn toegelicht door hun advocaten, door mr. Van Boom aan de zijde van [appellant] en door mr. M.L.A. Rijndorp, advocaat te Den Haag, aan de zijde van de Staat. De advocaten hebben daarbij gebruik gemaakt van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd. [appellant], die niet bij de zitting aanwezig was, heeft na de zitting nog een schriftelijke uiteenzetting van zijn standpunt aan het hof toegestuurd.

3 Feitelijke achtergrond

3.1

Tussen partijen staat onder meer het volgende vast.

3.2

Bij beschikking van 17 december 2010 heeft het gerechtshof Amsterdam [appellant] in een ontnemingszaak veroordeeld tot betaling aan de Staat van € 10.562.534,- ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Op 2 oktober 2012 heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van [appellant] tegen deze beschikking verworpen. Omdat volledige betaling uitbleef is op 1 juli 2014 door de advocaat-generaal een vordering tenuitvoerleggen lijfsdwang voor de duur van 1.080 dagen ingediend. Bij beschikking van 2 februari 2015 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is deze vordering toegewezen en is de lijfsdwang vastgesteld op 1.080 dagen.

3.3

[appellant] verblijft sinds 3 juli 2014 onafgebroken in detentie.

3.4

In 2014 is [appellant] in de zaak met parketnummer 21-000925-14 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk, voor het medeplegen van een opiumwetdelict. [appellant] heeft deze gevangenisstraf uitgezeten in de periode van 10 juni 2016 tot 1 december 2016 en vervolgens van 20 april 2020 tot 25 juni 2020.

3.5

Bij vonnis van de rechtbank Gelderland van 1 december 2016 is [appellant] in de zaak met parketnummer 05-880562-14 veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht jaar (met aftrek van voorarrest) voor het oprichten en leiden van een criminele organisatie die tot doel had synthetische drugs te bereiden. De einddatum van de gevangenisstraf is bepaald op 24 februari 2023. De datum waarop [appellant] voor het eerst in aanmerking kwam voor voorwaardelijke invrijheidstelling (hierna te noemen: v.i.) was 20 april 2020.

3.6

In september 2018 is een vermoedelijk drugslaboratorium aangetroffen in een woning in Castricum. [appellant] is als verdachte van betrokkenheid bij dit drugslaboratorium in beeld gekomen en is op 3 maart 2020 daarvoor gearresteerd. Daarnaast is een verdenking jegens [appellant] ontstaan dat hij zich vanuit de gevangenis heeft beziggehouden met de productie van synthetische drugs. Ten aanzien van beide verdenkingen zijn strafrechtelijke onderzoeken gestart. Naar aanleiding daarvan heeft de officier van justitie [appellant] gedagvaard voor de meervoudige kamer van de rechtbank Den Bosch op verdenking van het medeplegen van strafbare voorbereidingshandelingen voor de productie van 2C-B, een substantie op lijst I van de Opiumwet (hierna te noemen: de nieuwe strafzaak). Ten tijde van de zitting in hoger beroep was de verwachting dat de rechtbank Den Bosch deze zaak zou behandelen op 22, 24 en 25 februari 2022.

3.7

Op 17 maart 2020 heeft de Staat met betrekking tot de gevangenisstraf van acht jaar een vordering achterwege laten v.i. bij de rechtbank Gelderland (hierna te noemen: de v.i.-vordering) ingediend. De gronden voor deze vordering waren gelegen in de nieuwe verdenkingen tegen [appellant] en de omstandigheid dat aan [appellant] tijdens de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf elf disciplinaire straffen zijn opgelegd.

3.8

Op 14 april 2020 is de v.i.-vordering ter zitting van de rechtbank Gelderland behandeld. De behandeling van de zaak is toen aangehouden tot 24 april 2020, omdat [appellant] nog onvoldoende in de gelegenheid was geweest relevante stukken met zijn advocaat te bespreken. Vervolgens is de behandeling van de zaak op verzoek van [appellant] nogmaals aangehouden.

3.9

Op 29 mei 2020 heeft de voorzitter van de meervoudige kamer van de rechtbank Gelderland die de v.i.-vordering behandelt het volgende geschreven aan de officier van justitie en [appellant]:

“In de VI zaak tegen de cliënt van mr. v. Boom, [appellant], is een nieuwe datum bepaald voor de inhoudelijk behandeling van de vordering van de officier strekkende tot afstel van de VI, op 29 juni 2020. Inmiddels is het de rechtbank duidelijk geworden dat de strafzaak, m.b.t. de nieuwe verdenking, tegen de heer [appellant] zal gaan dienen in de rechtbank Den Bosch en dat het eind p-v in die zaak gereed is en aan mr. van Boom is verstrekt.

De verdenking in die strafzaak ligt mede ten grondslag aan de VI vordering van de officier. In het geval van een overtreding van een voorwaarde bij de VI wegens de verdenking van een nieuw strafbaar feit, voorziet de wet in de gezamenlijk behandeling van de VI vordering en de strafzaak. De wet voorziet niet in een vergelijkbare regeling in de onderhavige casus. Uit de inmiddels gewisselde stukken maakt de rechtbank op, dat het verweer in de strafzaak waarschijnlijk vergelijkbaar zal zijn aan het verweer in de VI zaak. Bij de rechtbank dringt zich de vraag op, of het niet wenselijk is dat op de VI vordering en de strafzaak door een en het zelfde collega wordt beslist. Dan zou overdracht van de VI vordering naar de rechtbank Den Bosch de meest logische keuze zijn.

Ik verzoek u mij te laten weten hoe u aankijkt tegen een dergelijke overdracht van de VI vordering.”

3.10

Bij e-mail van 17 juni 2020 heeft een advocaat-generaal van de Centrale Voorziening voorwaardelijke invrijheidsstelling de voorzitter van de meervoudige kamer van de rechtbank Gelderland die de v.i.-vordering behandelt, bericht dat het openbaar ministerie geen juridische mogelijkheid zag voor een behandeling van de v.i.-vordering door een andere rechtbank, en verzocht de behandeling van de vordering voort te zetten bij de rechtbank Gelderland.

3.11

Bij e-mail van 16 juli 2020 heeft de voorzitter van de meervoudige kamer van de rechtbank Gelderland die de v.i.-vordering behandelt aan [appellant] en de officier van justitie laten weten dat de rechtbank met het openbaar ministerie van oordeel is dat een wettelijke grondslag voor verwijzing van de zaak naar een andere rechtbank ontbreekt. Verder heeft de voorzitter geschreven dat de rechtbank streeft naar een situatie die zo dicht mogelijk komt bij een verwijzing naar de rechtbank Den Bosch en dat de rechtbank daarom het voornemen heeft de v.i.-vordering voor onbepaalde tijd aan te houden, tot na het eindvonnis in de nieuwe strafzaak.

3.12

Eveneens bij e-mail van 16 juli 2020 heeft de advocaat van [appellant] aan de voorzitter van de meervoudige kamer van de rechtbank Gelderland die de v.i.-vordering behandelt laten weten dat hij verheugd is over het streven om een verwijzing naar de rechtbank Den Bosch zoveel mogelijk te benaderen, maar dat hij wil dat de zaak wordt aangehouden totdat de uitspraak in de nieuwe strafzaak onherroepelijk zal zijn.

3.13

Op 10 december 2020 heeft [appellant] een verzoek tot opheffing van de lijfsdwang ingediend bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. [appellant] heeft zich in het verzoekschrift op het standpunt gesteld dat hij sinds 25 juni 2020 lijfsdwang ondergaat en dat hij betalingsonmachtig is. Het openbaar ministerie heeft zich in deze procedure op het standpunt gesteld dat [appellant] niet-ontvankelijk is in zijn verzoek, omdat hij geen lijfsdwang ondergaat.

3.14

Op 10 december 2020 is de v.i.-vordering op een pro forma zitting behandeld. Tijdens deze zitting heeft de officier van justitie bepleit dat de v.i.-vordering niet moet worden aangehouden, maar inhoudelijk moet worden behandeld en dat daarvoor zo snel mogelijk een nieuwe datum moet worden bepaald. Daarbij heeft de officier van justitie uitdrukkelijk gesteld dat [appellant] niet voorwaardelijk in vrijheid zal worden gesteld zolang niet op de v.i.-vordering is beslist. [appellant] heeft betoogd dat wel direct consequenties moeten worden verbonden aan de omstandigheid dat het openbaar ministerie de vordering achterwege laten v.i. volgens hem niet – zoals vereist – onverwijld heeft ingesteld, maar dat inhoudelijk pas op de vordering kan worden beslist nadat er een vonnis is in de nieuwe strafzaak. De rechtbank Gelderland heeft vervolgens de v.i.-vordering voor onbepaalde tijd aangehouden, totdat er een eindvonnis is in de nieuwe strafzaak.

3.15

Bij tussenbeschikking van 22 maart 2021 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden met betrekking tot het verzoek opheffing lijfsdwang geoordeeld dat [appellant] vanaf 25 juni 2020 lijfsdwang ondergaat en dat hij ontvankelijk is in zijn verzoek tot opheffing lijfsdwang. In deze beschikking heeft het gerechtshof onder meer het volgende overwogen:

“Als de door de advocaat-generaal onderschreven zienswijze juist zou zijn, zou dit betekenen dat veroordeelde al meer dan een half jaar op basis van artikel 6:6:8, vijfde lid, Sv in combinatie met de vordering uitstel of achterwege laten van de voorwaardelijke invrijheidsstelling, waarop de rechtbank nog niet heeft beslist en waarvan de behandeling op 10 december 2020 in afwachting van een vonnis in de nieuwe strafzaak voor onbepaalde tijd is aangehouden, van zijn vrijheid wordt beroofd en voorlopig beroofd blijft. Een dergelijke gang van zaken zou niet stroken met het karakter van de procedure van de artikelen 6:6:8 en 6:6:9 Sv en de kennelijke bedoeling van artikel 6:6:8, vijfde lid, Sv om niet tot invrijheidsstelling over te gaan als een vordering tot uitstel of het achterwege laten van voorwaardelijke invrijheidsstelling aanhangig is gemaakt, welke vordering onverwijld moet worden ingediend, als regel uiterlijk dertig dagen vóór het tijdstip van voorwaardelijke invrijheidsstelling door het gerecht moet zijn ontvangen en waarop in beginsel wordt beslist vóór het moment waarop de voorwaardelijke invrijheidsstelling mogelijk is. Dit klemt temeer omdat de advocaat-generaal in raadkamer over de stand van zaken van de nieuwe strafzaak géén informatie heeft kunnen geven en het onduidelijk is wanneer die strafzaak inhoudelijk wordt behandeld.”

3.16

Vervolgens is het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bij eindbeschikking van 19 juli 2021 teruggekomen op het oordeel dat [appellant] lijfsdwang ondergaat en is hij (alsnog) niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot opheffing van de lijfsdwang. Aan een inhoudelijke beoordeling is het gerechtshof daarom niet toegekomen. Het gerechtshof heeft in deze beschikking wel nog als volgt overwogen:

“Als de minister (nog) geen lijfsdwang ten uitvoer is gaan leggen is de consequentie dat veroordeelde al meer dan een jaar vastzit op grond van het bepaalde in artikel 6:6:8, vijfde lid, Sv in combinatie met de vordering uitstel of achterwege laten van de voorwaardelijke invrijheidstelling, waarop de rechtbank nog niet heeft beslist en waarvan de behandeling op 10 december 2020 in afwachting van een vonnis in de nieuwe strafzaak voor onbepaalde tijd is aangehouden. Voor de vraagtekens die zijn te plaatsen bij een dergelijke gang van zaken verwijst het hof naar wat het daarover heeft overwogen in zijn tussenbeschikking van 22 maart 2021. Het is echter niet aan het hof om over de voortdurende vrijheidsbeneming op grond van die titel in deze procedure een oordeel te vellen. Daarvoor zal een andere rechtsgang moeten worden gekozen.”

4 Vorderingen in eerste aanleg en beslissing van de voorzieningenrechter

5 Vorderingen in hoger beroep en grieven tegen het vonnis

6 Beoordeling door het hof

7 Beslissing