Gerechtshof Den Haag, 11-07-2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1262, 200.304.857/01
Gerechtshof Den Haag, 11-07-2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1262, 200.304.857/01
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Den Haag
- Datum uitspraak
- 11 juli 2023
- Datum publicatie
- 13 juli 2023
- ECLI
- ECLI:NL:GHDHA:2023:1262
- Zaaknummer
- 200.304.857/01
Inhoudsindicatie
Opname in de incidentenregisters wegens fungeren als geldezel in overeenstemming met AVG. Matiging van de duur van de opname, proportionaliteit.
Uitspraak
Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.304.857/01
Zaaknummer rechtbank : C/09/599438 / HA ZA 20-989
Arrest van 11 juli 2023
in de zaak van
[appellant] ,
wonende in [woonplaats],
appellant,
advocaat: mr. N.C. van Steijn, kantoorhoudend in Leiden,
tegen
Coöperatieve Rabobank U.A.,
gevestigd in Amsterdam,
verweerster,
advocaat: mr. M. van den Broek, kantoorhoudend in Leiden.
Het hof zal partijen hierna noemen [appellant] en Rabobank.
1 De zaak in het kort
In deze zaak is aan de orde of, en zo ja in hoeverre, registratie van persoonsgegevens van [appellant] in incidentenregisters noodzakelijk is voor de behartiging van een gerechtvaardigd belang van Rabobank. Daarbij is ten eerste van belang of kan worden vastgesteld dat [appellant] als geldezel bij fraude met zijn bankrekening en bankpas betrokken is geweest. Deze vraag wordt door het hof bevestigend beantwoord. Vervolgens is aan de orde of Rabobank de persoonsgegevens van [appellant] in verband met zijn betrokkenheid bij fraude ook in de incidentenregisters mocht opnemen, mede in het licht van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (Verordening (EU) 2016/679, hierna: AVG) en de Uitvoeringswet Algemene Verordening Gegevensbescherming (hierna: UAVG). Dat mocht Rabobank naar het oordeel van het hof in deze omstandigheden doen. Wel is het hof van oordeel dat de duur van de opname in de incidentenregisters moet worden beperkt tot iets meer dan vier jaar, uit oogpunt van proportionaliteit.
2 Procesverloop in hoger beroep
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
- -
-
de dagvaarding van 28 december 2021, waarmee [appellant] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 20 oktober 2021;
- -
-
het arrest van dit hof van 15 februari 2022, waarin een mondelinge behandeling is gelast;
- -
-
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 8 april 2022;
- -
-
de memorie van grieven van [appellant], met bijlagen;
- -
-
de memorie van antwoord van Rabobank, met bijlagen.
3 Feitelijke achtergrond
Het hof gaat in dit geding uit van de volgende feiten.
[appellant] is geboren in [geboortemaand] 2000. Hij was sinds 2009 klant van Rabobank. Hij hield een betaalrekening en twee spaarrekeningen aan.
Op 1 september 2019 heeft een andere klant van Rabobank (hierna: de klant) een ingevuld overschrijvingsformulier per post aan Rabobank verstuurd. Dit overschrijvingsformulier is gestolen.
Op 5 september 2019 en op 8 september 2019 is de opnamelimiet van de betaalrekening van [appellant] verhoogd via de Rabo App.
Op 10 september 2019 is vanaf de bankrekening van de klant een bedrag van € 2.675,86 overgemaakt naar de bankrekening van [appellant]. Deze overschrijving heeft plaatsgevonden door middel van het gestolen overschrijvingsformulier; daarbij is de begunstigde op het overschrijvingsformulier gewijzigd naar [appellant]. Ook het over te maken bedrag is aangepast. Binnen een uur nadat het bedrag was ontvangen op de bankrekening van [appellant], is een bedrag van € 2.000 gepind van de rekening van [appellant]. Uit camerabeelden blijkt dat deze opname niet door [appellant] is verricht. Na deze overboeking en opname heeft Rabobank de bankpas van [appellant] geblokkeerd.
Op 18 september 2019 heeft [appellant] aangifte gedaan van oplichting. Bij de politie heeft [appellant] verklaard dat hij op 2 september 2019 zijn bankpas voor het laatst had gebruikt bij het betalen in de schoolkantine en dat hij op 10 september 2019 ontdekte dat hij zijn betaalpas kwijt pas.
Bij brief van 10 oktober 2019 heeft Rabobank alle overeenkomsten met [appellant] opgezegd. Als reden voor de opzegging heeft Rabobank gegeven dat zij heeft vastgesteld dat [appellant] betrokken is bij ongeoorloofde handelingen, te weten de frauduleuze overboeking op 10 september 2019 ten gunste van de betaalrekening van [appellant]. Bij brief van 11 oktober 2019 heeft Rabobank aan [appellant] laten weten dat hij zal worden opgenomen in haar Incidentenregister, het Interne Verwijzingsregister (IVR) van de Rabobank en het Externe Verwijzingsregister (EVR).
[appellant] kan zich met de opnames in de registers niet verenigen. Op 14 januari 2020 heeft hij via zijn rechtsbijstandsverzekeraar hierover een klacht bij Rabobank ingediend, waarin hij schrijft dat Rabobank hem ten onrechte beticht van ongeoorloofde en frauduleuze handelingen en waarin hij Rabobank verzoekt om het ingenomen standpunt te herzien en de registratie ongedaan te maken. Aan dit verzoek heeft Rabobank niet voldaan.