Gerechtshof Den Haag, 02-08-2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1492, 200.325.066/01
Gerechtshof Den Haag, 02-08-2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1492, 200.325.066/01
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Den Haag
- Datum uitspraak
- 2 augustus 2023
- Datum publicatie
- 9 augustus 2023
- ECLI
- ECLI:NL:GHDHA:2023:1492
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2022:11319, Niet ontvankelijk
- Cassatie: ECLI:NL:HR:2024:924
- Zaaknummer
- 200.325.066/01
Inhoudsindicatie
Appellante niet ontvankelijk in hoger beroep van tussenbeschikking. De rechtbank had de zaak aangehouden voor rapportage. Op grond van vermelde feiten en omstandigheden wordt de mededeling betreffende de mogelijkheid van hoger beroep niet beschouwd als bepaling van de kinderrechters, maar als een abusievelijk geplaatste standaard tekst.
Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Familie
zaaknummer : 200.325.066/01
rekestnummer rechtbank : JE RK 22-2379
zaaknummer rechtbank : C/10/646170
beschikking van de meervoudige kamer van 2 augustus 2023
inzake het verzoek van:
[verzoekster] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. C.M.D. de Waele te Amsterdam.
Als belanghebbenden zijn aangemerkt:
Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering,
gevestigd te Rotterdam,
hierna: de gecertificeerde instelling.
In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:
de raad voor de kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht,
locatie: Rotterdam,
hierna te noemen: de raad.
1 Het verloop van het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 23 december 2022, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking).
2 Het geding in hoger beroep
De moeder is op 23 maart 2023 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
De gecertificeerde instelling heeft op 13 juni 2023 een verweerschrift ingediend.
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
van de zijde van de moeder:
- -
-
een e-mailbericht van 4 april 2023, met daarin een (gemotiveerd) verzoek om de zaak met spoed op zitting te plannen;
- -
-
een e-mailbericht van 13 april 2023, waarin zij bezwaar maakt tegen het voornemen van het hof de zaak te plaatsen op een ontvankelijkheidszitting;
- -
-
een journaalbericht van de zijde van de moeder van 14 april 2023 met bijlagen, ingekomen op 18 april 2023;
- -
-
een e-mailbericht van 20 april 2023 met bijlagen, waarin zij nogmaals bezwaar maakt tegen het voornemen van het hof de zaak te plaatsen op een ontvankelijkheidszitting;
- -
-
een e-mailbericht van 28 april 2023, met de mededeling dat er een aantal stukken niet in het roljournaal zijn opgenomen;
- -
-
een e-mailbericht van 7 mei 2023 met bijlagen, waarin de moeder reageert op het e-mailbericht van het hof aan de moeder van 25 april 2023 waarin het hof zijn voornemen om de zaak op een ontvankelijkheidszitting te plannen toelicht;
- -
-
een journaalbericht van 8 mei 2023 met bijlagen, ingekomen op 9 mei 2023;
- -
-
een e-mailbericht van 16 juni 2023 met bijlage;
- -
-
een e-mailbericht van 19 juni 2023.
Het hof heeft de minderjarige [minderjarige] in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Zij heeft haar mening schriftelijk kenbaar gemaakt.
De mondelinge behandeling - waarin ook de ontvankelijkheid aan de orde is gekomen - heeft op 20 juni 2023 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- -
-
de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- -
-
de gecertificeerde instelling, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de gi 1] en [vertegenwoordiger van de gi 2] .
De raad is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
Het hof heeft bijzondere toegang verleend aan de vader van [minderjarige] , de heer [vader] , en aan mevrouw [vertrouwenspersoon van de moeder] , vertrouwenspersoon van de moeder.
De gecertificeerde instelling heeft ter zitting een pleitnotitie overgelegd.
Na de mondelinge behandeling is ingekomen een e-mailbericht van 5 juli 2023 van de gecertificeerde instelling, een e-mailbericht van 14 juli 2023 met bijlagen van de zijde van de moeder en een e-mailbericht van 18 juli 2023 met bijlage van de zijde van de moeder. Nu de mondelinge behandeling is gesloten en het hof partijen geen toestemming heeft gegeven nog stukken na te zenden, zal het hof niet ingaan op deze stukken.
3 De feiten
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.
Uit de moeder zijn geboren, voor zover in hoger beroep van belang: [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ), op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] .
Bij beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam van 28 oktober 2008 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] uitgesproken. Sinds 20 februari 2009 is [minderjarige] met een machtiging van de kinderrechter uit huis geplaatst.
Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 14 augustus 2012 is de moeder ontheven van haar ouderlijk gezag over [minderjarige] en is de Stichting Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam tot voogdes benoemd. Hierbij is bepaald dat de voogdij zal worden uitgevoerd door de gecertificeerde instelling.
Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 13 juli 2015 is het verzoek van de moeder om in het gezag over [minderjarige] te worden hersteld, afgewezen. Deze beschikking is in hoger beroep door dit hof bij beschikking van 21 september 2016 bekrachtigd.
Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 29 maart 2019 is het verzoek van de moeder om onder meer in het gezag over [minderjarige] te worden hersteld, afgewezen. Deze beschikking is in hoger beroep door dit hof bij beschikking van 17 juli 2019 bekrachtigd.