Home

Gerechtshof Den Haag, 30-08-2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1836, 200.308.523/01

Gerechtshof Den Haag, 30-08-2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1836, 200.308.523/01

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
30 augustus 2023
Datum publicatie
11 oktober 2023
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2023:1836
Formele relaties
Zaaknummer
200.308.523/01

Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie. Draagkracht vaststellen per 1 januari 2018 nu door geen der partijen een grief is gericht tegen de ingangsdatum. De vader is DGA. Voor de vraag of de DGA zijn salaris (met terugwerkende kracht) kan verhogen of dividend kan uitkeren, is de financiële positie van de vennootschappen op het moment dat de beschikking in deze zaak wordt gegeven relevant. Hierbij moet rekening worden gehouden met het vennootschappelijk- en crediteurenbelang. Inkomen van de moeder is aanmerkelijk hoger dan het inkomen waar de rechtbank vanuit is gegaan. Als gevolg hiervan wordt haar aandeel in de kosten van het kind hoger. Terugbetalingsverplichting; de moeder beschikt over vermogen. Proceskostenveroordeling; procedure is nodeloos complex gemaakt door de moeder.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Familie

zaaknummer : 200.308.523/01

rekestnummer rechtbank : FA RK 20-10254

zaaknummer rechtbank : C/10/610710

beschikking van de meervoudige kamer van 30 augustus 2023

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. S.A. Ray te Rotterdam,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. R.F.H. Weisz-Hertsworm te Rotterdam.

1 De zaak en de beschikking in het kort

1.1

Deze zaak gaat over de door de vader te betalen kinderalimentatie voor [de minderjarige 1] .

1.2

De rechtbank Rotterdam heeft in de beschikking van 17 december 2021 (hierna: de bestreden beschikking), die is uitgesproken onder het hiervoor genoemde zaaknummer, beslist dat de vader de volgende bedragen aan kinderalimentatie aan de moeder moet betalen:

-

vanaf 1 januari 2018 € 186,- per maand;

-

vanaf 1 januari 2019 € 190,- per maand;

-

vanaf 1 januari 2020 € 194,- per maand;

-

vanaf 1 januari 2021 € 200,- per maand;

-

vanaf 1 januari 2022 € 204,- per maand;

en dat de vader vanaf de dag van de beschikking de kinderalimentatie steeds voor de eerste van de maand moet betalen.

1.3

Partijen zijn allebei in hoger beroep gekomen van deze beslissing omdat zij het hier niet mee eens zijn. De grieven van de moeder zien op de behoefte van [de minderjarige 1] , de draagkracht van de vader en de compensatie van de proceskosten. De grieven van de vader zien op de draagkracht van de moeder, het aandeel van beide partijen in de kinderalimentatie en de zorgkorting. De vader heeft daarnaast twee aanvullende verzoeken gedaan die zien op de proceskosten en verrekening van de kinderalimentatie.

1.4

In deze beschikking wijst het hof het verzoek van de vader in zoverre toe dat het hof vanaf 2018 tot heden lagere bedragen aan kinderalimentatie zal vaststellen dan de rechtbank heeft gedaan. Het hof geeft hierna eerst een beschrijving van het verloop van de procedure tot nu toe. Daarna legt het hof uit waarom hij tot deze beslissingen is gekomen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De moeder is op 15 maart 2022 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. In dit beroepschrift verzoekt zij het hof, voor zover mogelijk bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking, de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat de vader met ingang van 1 januari 2018 aan de moeder maandelijks een kinderalimentatie betaalt van € 591,- per maand en de vader te veroordelen in de kosten van de procedure.

2.2

De vader heeft op 10 mei 2022 een verweerschrift ingediend. In dit verweerschrift verzoekt hij het hof, voor zover mogelijk bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking, de moeder niet-ontvankelijk te verklaren, haar verzoeken ongegrond te verklaren of het door de moeder verzochte af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen. Bij dit verweerschrift heeft de vader ook incidenteel hoger beroep ingesteld en enkele zelfstandige verzoeken gedaan. Kort samengevat verzoekt de vader het hof om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- de moeder te veroordelen in de kosten van het geding aan de vader, vermeerderd met de nakosten, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van de beschikking, en vermeerderd met de wettelijke rente voor zover de moeder niet binnen deze termijn betaalt;

en voor zover herbeoordeling van de kinderalimentatie voor 1 januari 2022 plaatsvindt:

-

de door de vader te betalen kinderalimentatie opnieuw vast te stellen met inachtneming van hetgeen namens de vader is gesteld;

-

indien de kinderalimentatie over enige periode op een hoger bedrag wordt vastgesteld, te bepalen dat de vader een beroep op verrekening toekomt;

-

indien de kinderalimentatie over enige periode op een lager bedrag wordt vastgesteld, de hoogte van de vordering van de vader op de moeder te bepalen en de moeder te veroordelen tot betaling daarvan binnen veertien dagen na afgifte van de beschikking, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het beroepschrift tot aan de dag van algehele voldoening.

2.3

De moeder heeft op 24 juni 2022 een verweerschrift ingediend op het incidenteel hoger beroep van de vader. In dit verweerschrift verzoekt zij het hof de vader in het incidentele hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren of het incidenteel hoger beroep af te wijzen met veroordeling van de vader in de proceskosten.

2.4

De vader heeft gemotiveerd bezwaar gemaakt tegen een deel van dit verweerschrift omdat het in strijd zou zijn met de twee-conclusieregel als bedoeld in art. 347 Rv, die een concentratie beoogt van de discussie bij het hof. Deze algemene regel beperkt niet alleen de mogelijkheid om na het eerste processtuk in hoger beroep nog nieuwe grieven aan te voeren, maar ook de bevoegdheid nieuwe feiten aan te voeren of de eis te veranderen of te vermeerderen. Gezien de aard van deze procedure, te weten het verkrijgen van een rechterlijke beslissing over kinderalimentatie (welke beslissing in beginsel op elk moment vatbaar is voor wijziging, ook met terugwerkende kracht), kan een uitzondering worden gemaakt op deze strakke regel. Dat de vaststelling van kinderalimentatie berust op een juiste en volledige weergave van de relevante feiten en omstandigheden ten tijde van de uitspraak in hoger beroep, is in het belang van beide partijen. Om die reden kunnen tot aan de mondelinge behandeling nieuwe stellingen en nieuwe verweren alsmede nieuwe verzoeken worden ingesteld, tenzij dit in strijd is met de goede procesorde. Daarvan is in dit geval geen sprake. Het verweerschrift op het incidenteel hoger beroep is ingediend op 24 juni 2022 en de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 23 juni 2023. Het hof is derhalve van oordeel dat de vader voldoende tijd heeft gehad om zich op de nieuwe verzoeken c.q. verweren voor te bereiden en niet kan worden geoordeeld dat hij is geschaad in zijn verdediging. Het hof zal dus kennis nemen van het gehele verweerschrift op het incidenteel hoger beroep van de moeder.

2.5

Het hof heeft daarnaast nog de volgende stukken ontvangen:

van de moeder:

-

een journaalbericht met bijlage van 26 april 2022, ingekomen op 28 april 2022;

-

een brief met bijlagen van 13 juni 2023, ingekomen op diezelfde datum;

-

een brief met bijlagen van 19 juni 2023, ingekomen op diezelfde datum;

van de vader:

- een journaalbericht met bijlagen van 31 mei 2023, ingekomen op diezelfde datum;

2.6

De mondelinge behandeling heeft op 23 juni 2023 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

-

de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

-

de vader, bijgestaan door zijn advocaat.

2.7

Het hof heeft partijen op de mondelinge behandeling de opdracht gegeven nadere alimentatieberekeningen over de jaren 2018 tot en met 2023 over te leggen met daarbij verwijzingen naar de stukken waarop deze berekeningen zijn gebaseerd. Op 28 juni 2023 heeft het hof de door de vader gemaakte berekeningen ontvangen en op 25 juli 2023 heeft het hof de door de moeder gemaakte berekeningen ontvangen nadat de eerdere berekeningen waren teruggestuurd door het hof. De moeder heeft het hof in dit kader nog verzocht om nadere stukken met betrekking tot het inkomen van de vader te mogen overleggen, te weten de producties 72 tot en met 77. Het hof gaat aan dit verzoek c.q. aanbod voorbij nu het hof hiertoe geen gelegenheid heeft gegeven.

3 De feiten

3.1

Het hof gaat uit van dezelfde feiten als de rechtbank in de bestreden beschikking. Daartegen is in hoger beroep niet opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2

Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad en op [datum] 2010 een notariële samenlevingsovereenkomst gesloten. Deze samenlevingsovereenkomst hebben zij op 1 januari 2018 beëindigd.

3.3

Partijen zijn de ouders van [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2012 in [geboorteplaats] .

3.4

Beide ouders hebben het gezag over [de minderjarige 1] .

3.5

[de minderjarige 1] woont bij de moeder.

3.6

De vader heeft daarnaast een zoon uit een eerdere relatie: [de minderjarige 2] (hierna: [de minderjarige 2] ), geboren op [geboortedatum] 1998 in [geboorteplaats] . [de minderjarige 2] is meerderjarig.

4 De motivering van de beslissing

5 De beslissing