Home

Gerechtshof Den Haag, 15-11-2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:2338, 200.326.620/01, 200.326.620/02 en 200.326.631/01

Gerechtshof Den Haag, 15-11-2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:2338, 200.326.620/01, 200.326.620/02 en 200.326.631/01

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
15 november 2023
Datum publicatie
7 december 2023
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2023:2338
Zaaknummer
200.326.620/01, 200.326.620/02 en 200.326.631/01

Inhoudsindicatie

Vermogensrechtelijke afwikkeling van de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen. De vrouw heeft een nominaal vergoedingsrecht op de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen. Een eenmanszaak heeft geen afgescheiden vermogen. De vrouw exploiteerde voor het huwelijk al een eenmanszaak. De activa van de eenmanszaak behoren tot het privé vermogen van de vrouw en worden niet in de verdeling van de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen betrokken. De man is wel mede draagplichtig met betrekking tot de “ondernemingsschulden” die zijn ontstaan na datum ontstaan van de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Familie

zaaknummers : 200.326.620/01, 200.326.620/02 en 200.326.631/01

zaak- en rekestnummer rechtbank : C/09/635988 / FA RK 22-6536

beschikking van de meervoudige kamer van 15 november 2023

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. S. Bhulai te Den Haag,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. N.E. de Vries te Alphen aan den Rijn.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Den Haag van 8 februari 2023, alsmede naar de (tussen)beschikking van 17 januari 2023, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De man is op 25 april 2023 in hoger beroep gekomen van genoemde beschikking van 8 februari 2023 (hierna: de bestreden beschikking).

2.2

De vrouw heeft op 5 juli 2023 een verweerschrift ingediend.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 31 augustus 2023 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

 de man, bijgestaan door zijn advocaat, alsmede door de heer [tolk] , tolk in de Arabische taal;

 de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

De raad is, zoals aangekondigd bij brief van 27 juli 2023, niet ter zitting verschenen.

3 De feiten

3.1

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2

De man en de vrouw zijn op [huwelijksdatum] 2018 te [huwelijksplaats] , Tunesië, met elkaar gehuwd.

3.3

De man heeft de Tunesische nationaliteit. De vrouw heeft de Nederlandse nationaliteit.

3.4

Zij zijn de ouders van [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2019 (hierna: [minderjarige 1] ).

3.5

De vrouw heeft uit een eerdere relatie nog een dochter, [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2012. [minderjarige 2] woont bij de vrouw.

3.6

Bij voornoemde (tussen)beschikking van de rechtbank Den Haag van 17 januari 2023 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken (hierna: de echtscheidingsbeschikking). De behandeling met betrekking tot de nevenvoorzieningen is aangehouden omdat het aanvullend verzoekschrift van de vrouw dienaangaande niet op de voorgeschreven wijze aan de man was betekend, zodat dit alsnog diende te gebeuren. Daarbij is door de rechtbank overwogen dat betekening achterwege kon blijven indien een referteverklaring conform artikel 5.5 van het procesreglement scheidingsprocedure werd overgelegd.

3.7

Door de man is op 24 januari 2023 een referteverklaring ondertekend.

3.8

De echtscheidingsbeschikking is op 27 januari 2023 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente [gemeente] .

4 De omvang van het geschil

5 De motivering van de beslissing

6 De beslissing