Gerechtshof Den Haag, 22-12-2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:2606, 200.330.829-01
Gerechtshof Den Haag, 22-12-2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:2606, 200.330.829-01
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Den Haag
- Datum uitspraak
- 22 december 2023
- Datum publicatie
- 22 december 2023
- ECLI
- ECLI:NL:GHDHA:2023:2606
- Formele relaties
- Prejudiciële vraag aan: ECLI:NL:HR:2024:1913
- Einduitspraak: ECLI:NL:GHDHA:2025:351
- Zaaknummer
- 200.330.829-01
Inhoudsindicatie
Prejudiciële vragen, uitleg nieuwe regels Wettelijke schuldsaneringsregeling natuurlijke personen.
Uitspraak
Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.330.829/01
Zaaknummer rechtbank : C/09/23/80 R en C/09/23/81 R
Arrest van 22 december 2023
in de zaak van
[appellant] ,
[appellante] ,
beiden wonende in [woonplaats] ,
appellanten,
advocaat: mr. R.R. Verkerk, kantoorhoudend in Rotterdam.
Het hof zal appellanten hierna afzonderlijk [appellant] respectievelijk [appellante] noemen en gezamenlijk [appellant] c.s.
1 De zaak in het kort
Op [appellant] c.s. is bij vonnis van de rechtbank Den Haag van 1 augustus 2023 de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard, met als ingangsdatum van de termijn 1 juli 2023. [appellant] c.s. is het niet eens met deze ingangsdatum. Daartegen richt zich het hoger beroep.
Het hof stelt prejudiciële vragen aan de Hoge Raad. Die gaan over de uitleg van de sinds 1 juli 2023 in artikel 349a lid 1 Faillissementswet (Fw) opgenomen zinsnede dat de termijn van de schuldsaneringsregeling anderhalf jaar bedraagt, te rekenen van de dag van de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling, ‘dan wel van de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling als bedoeld in artikel 285, eerste lid, onder f, indien die dag eerder is gelegen’ (cursivering hof). Het hof ziet zich onder meer gesteld voor de (zaaksoverstijgende) rechtsvraag welke voorwaarden de rechter aan het gebruik van deze zinsnede mag stellen. Mag de rechter vergen, voor het intreden van de in deze zinsnede bedoelde eerdere start van de termijn, dat de schuldenaar zich in de eerdere periode steeds voldoende heeft ingespannen en, ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers, heeft afgelost of gespaard volgens de regels die golden als zou de schuldsaneringsregeling van toepassing zijn geweest? Een antwoord op deze vraag is rechtstreeks van belang en nodig voor de te geven eindbeslissing van het hof.
2 Procesverloop in hoger beroep
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
- het beroepschrift, met bijlagen, waarmee [appellant] c.s. in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 1 augustus 2023;
- een V6-formulier van 14 augustus 2023 betreffende de afgegeven toevoeging met als bijlagen een verklaring van 14 december 2022 van [naam 1] van Noordzij Beschermingsbewind, en een kopie van het bestreden vonnis;
- de reactie op het beroepschrift, met bijlagen, van 25 augustus 2023 van mevrouw E.A. de Snoo, de bewindvoerder in de wettelijke schuldsaneringsregeling (hierna: de Wsnp-bewindvoerder) van [appellant] c.s.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 29 augustus 2023, waarbij zijn verschenen:
- [appellant] en [appellante] , bijgestaan door mr. R.R. Verkerk en zijn kantoorgenote mr. R. Ahmad;
- [naam 1] en [naam 2], beiden werkzaam bij Noordzij Beschermingsbewind, de beschermingsbewindvoerder van [appellant] c.s.;
- mevrouw E.A. de Snoo, de Wsnp-bewindvoerder.
Na de mondelinge behandeling heeft het hof nog nadere stukken en informatie opgevraagd, waarop zijn binnengekomen:
- een e-mail van de beschermingsbewindvoerder van 31 augustus 2023, met bijlage;
- een brief van mr. Verkerk van 19 september 2023, met bijlagen.
Bij arrest van 8 december 2023 heeft het hof [appellant] c.s., de beschermingsbewindvoerder en de Wsnp-bewindvoerder in de gelegenheid gesteld om te reageren op het in dat arrest geformuleerde voornemen om prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad, en op de voorgenomen vragen. Mr. Verkerk heeft namens [appellant] c.s. bij brief van 13 december 2023 bericht dat de prejudiciële vragen zoals opgesteld door het hof hen relevant lijken en de juiste onderwerpen aan het licht brengen en zij wat betreft de voorgenomen vraagstellingen geen opmerkingen hebben. De beschermingsbewindvoerder heeft laten weten niet te zullen reageren. De Wsnp-bewindvoerder heeft gereageerd bij e-mail van 19 december 2023 met het voorstel om de vraagstelling in 6.35 uit te breiden met de overweging dat de wet duidelijk zou moeten zijn over het uitgangspunt dat verkorting van de duur van de wettelijke schuldsaneringsregeling alleen aan de orde kan zijn als is gebleken dat in het voorafgaande traject ‘maximale aflossing ten gunste van de gezamenlijke schuldeisers’ heeft plaatsgevonden, en dat daarvan ook een nadere uitwerking wordt gegeven zoals beschreven door P. Eickmans-van der Poel in het blad Schuldsanering van oktober 2023.
Dit arrest wijkt (slechts) op de volgende onderdelen af van het arrest van 8 december 2023:
- -
-
1, tweede alinea, eerste volzin; laatste volzin geschrapt
- -
-
2.4 en 2.5 (nieuw)
- -
-
6.3, laatste volzin geschrapt, volzin daarvoor gewijzigd
- -
-
6.31, onder d
- -
-
6.35, aanhef en onder 2
- -
-
dictum.
3 Feitelijke achtergrond
In de zomer van 2019 heeft [appellant] c.s. voor schuldhulpverlening contact gehad met de gemeente [gemeente] (hierna: de gemeente). Begin augustus 2019 heeft [appellant] c.s. een aanvraag tot begeleiding in dit kader ingediend. Bij beschikking van 2 oktober 2019 heeft de gemeente een aanbod tot schuldhulpverlening gedaan, uit te voeren door Zuidweg & Partners.1 De beschikking verwijst naar een aangehecht plan van aanpak. Een op 26 en 30 september 2019 gedateerd plan van aanpak van Zuidweg & Partners beschrijft het aanbod en de inhoud van de schuldhulpverlening samengevat als volgt:2
-
Stabilisatie. Er mogen geen nieuwe achterstanden meer ontstaan.
-
Schuldregeling. Zodra duidelijk is dat de situatie stabiel is en de vaste lasten stipt op tijd worden betaald, kan de stabilisatiefase worden afgesloten. Hierna kan de mogelijkheid van een (minnelijke) schuldregeling onderzocht worden. Er geldt een inspanningsverplichting om een zo hoog mogelijk inkomen te verwerven en, voor zover van toepassing, een sollicitatieplicht. Alle inkomsten boven het bedrag dat nodig is voor vaste lasten en noodzakelijke uitgaven wordt gedurende drie jaar ingezet voor aflossing van de schulden. Bij aanvang van deze periode wordt een prognose gemaakt van het bedrag dat gedurende drie jaar kan worden ingezet voor aflossing. Wanneer niet alle schulden in drie jaar kunnen worden afgelost, wordt aan de crediteuren een percentage van de vordering aangeboden, onder voorwaarde dat zij kwijtschelding verlenen voor het gedeelte dat na drie jaar niet is afgelost.
-
WSNP. Wanneer een minnelijke regeling met de crediteuren niet mogelijk blijkt, dan kan aan de rechtbank om een gedwongen schuldregeling dan wel toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling worden gevraagd.
Een op 27 september 2019 gedateerde en ondertekende overeenkomst schuldhulpverlening tussen [appellant] c.s. en Zuidweg & Partners3 vermeldt dat Zuidweg & Partners zich zal inspannen om een minnelijke schuldregeling tussen [appellant] c.s. en zijn (gezamenlijke) schuldeisers tot stand te brengen.
Met ingang van 31 mei 2021 heeft [appellant] c.s. zich onder beschermingsbewind laten stellen.4
Per 9 april 2022 is de dienstverlening door Zuidweg & Partners gestaakt.5
Bij besluit van 3 oktober 2022 heeft de gemeente een aangepast plan van aanpak voor schuldhulpverlening vastgesteld. Volgens dit plan van aanpak zou de gemeente direct na ontvangst van de in het besluit genoemde stukken (ondertekende stabilisatieovereenkomsten en overeenkomsten schuldregeling, en een schuldenoverzicht inclusief ontstaansdata) starten met een traject met de volgende stappen:
- -
-
de gemeente vraagt de schuldeisers naar de hoogte van de schulden;
- -
-
de schuldenaren controleren het schuldenoverzicht;
- -
-
de gemeente stuurt de schuldeisers een voorstel voor een regeling.
De voor [appellant] c.s. opgestelde stabilisatieovereenkomst6 bepaalt, kort gezegd, dat de schuldenaar ( [appellant] c.s.) zich inspant om inkomsten en uitgaven in evenwicht te brengen en te houden. De opgestelde overeenkomsten schuldbemiddeling7 beschrijven, samengevat, dat de schuldenaar verplicht is om zich in te spannen maximaal inkomen te verwerven, en de gemeente om zich in te spannen met alle schuldeisers afspraken te maken over de schulden. Alle inkomsten boven het vrij te laten bedrag worden, volgens de overeenkomsten, door de gemeente behouden voor de schuldeisers.
Bij beschikkingen van 9 maart 2023 heeft de rechtbank Den Haag de toenmalige beschermingsbewindvoerder van [appellant] c.s. op eigen verzoek ontslagen, en de huidige benoemd.
Volgens een schrijven van de gemeente van 19 april 2023 aan de (nieuwe) beschermingsbewindvoerder8 was er tot dat moment nog geen spaarverplichting van toepassing, omdat het krediet afhankelijk was van het akkoord dat bereikt moest worden.
Volgens een schrijven van de gemeente van 5 juli 2023 aan de beschermingsbewindvoerder9 was de gemeente in september 2022 de schuldregeling gestart, waarna ook de schuldregelingsovereenkomst was ondertekend. Door de vele aanpassingen in de berekeningen van het vrij te laten bedrag (de vtlb’s) zijn er diverse voorstellen uitgebracht met wisselende aanbiedingspercentages, aldus de gemeente.
Een recent door de (huidige) beschermingsbewindvoerder opgesteld ‘Saldo overzicht boedelactief’10 laat in tabelvorm zien, op maandbasis over de periode september 2019-juni 2023, onder meer:
- -
-
inkomsten [appellant] c.s.
- -
-
afdrachten beslag
- -
-
vrij te laten bedrag (vtlb)
- -
-
‘te ontvangen boedel’
Volgens dit overzicht is het totaalsaldo inkomsten [appellant] c.s. -/- afdrachten beslag (€ 78.795,13) -/- vtlb negatief, met dien verstande dat op maandbasis in enkele maanden wel een positief saldo voor de post ‘te ontvangen boedel’ wordt berekend. Gesaldeerd met posten die het overzicht als GemBel en RBG aanduidt – het hof veronderstelt dat het hier gaat om niet-kwijtgescholden decentrale belastingen – komt de totaalpost ‘te ontvangen boedel’ uit op afgerond € 3.596,-. Dit bedrag was en is beschikbaar voor de boedel.
Het saldo inkomsten [appellant] c.s. -/- vtlb, waarbij de afdrachten onder het beslag dus niet als aftrekpost worden meegenomen, komt uit op een aanzienlijk positief saldo (€ 151.834,34 + € 18.166,21 + € 32.285,67 – € 1.116,67 – € 143.455,55 = € 57.714,00). Dat positieve saldo was, op het hiervoor bedoelde en door de rechtbank ook in aanmerking genomen bedrag van afgerond € 3.596,- na (zie hierna, 4.2), niet beschikbaar voor de boedel.
4. De procedure bij de rechtbank, het verzoek in hoger beroep, de standpunten van de beschermingsbewindvoerder en de Wsnp-bewindvoerder
Bij verzoekschrift van 6 juli 2023 heeft [appellant] c.s. om toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling verzocht, met daarbij het verzoek om de looptijd met achttien maanden te bekorten.
Bij vonnis van 1 augustus 2023 heeft de rechtbank het verzoek om toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling toegewezen. Het verzoek om de looptijd te verkorten vatte de rechtbank op als verzoek om de ingangsdatum te bepalen op de datum achttien maanden voorafgaand aan de datum van het te wijzen toelatingsvonnis (artikel 349a lid 1 Fw).11 Dit verzoek heeft de rechtbank niet (geheel) toegewezen; de rechtbank bepaalde de ingangsdatum op één maand voor die van het vonnis: 1 juli 2023. Daarvoor was voor de rechtbank redengevend dat het door [appellant] c.s. in het voortraject gespaarde bedrag van afgerond € 3.596,- slechts voldoende was voor aflossing conform zijn aflossingsplicht van een volledige maand (voorafgaand aan de uitspraak). Gedane afdrachten onder beslag rekende de rechtbank hierbij niet als aflossingen mee.
[appellant] c.s. is in hoger beroep gekomen, omdat het verzoek tot vaststelling van een eerdere ingangsdatum niet volledig is toegewezen. In het hoger beroep vraagt [appellant] c.s. dat verzoek alsnog toe te wijzen.
De beschermingsbewindvoerder onderschrijft het verzoek van [appellant] c.s. De Wsnp-bewindvoerder kan zich daarentegen vinden in het oordeel van de rechtbank.