Gerechtshof Den Haag, 14-03-2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:605, 200.300.687/01
Gerechtshof Den Haag, 14-03-2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:605, 200.300.687/01
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Den Haag
- Datum uitspraak
- 14 maart 2023
- Datum publicatie
- 12 april 2023
- ECLI
- ECLI:NL:GHDHA:2023:605
- Zaaknummer
- 200.300.687/01
Inhoudsindicatie
Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg); geen onrechtmatige informatieverstrekking door Staat aan werkgever omtrent tegen werknemer gerezen strafrechtelijke verdenking
Uitspraak
Civiel recht
Zaaknummer hof : 200.300.687/01
Zaaknummer rechtbank : C/09/585962 / HA ZA 20-12
Arrest van 14 maart 2023
in de zaak van
[appellant] ,
wonende in [woonplaats] ,
appellant,
advocaat: mr. N. Claassen te Schiedam,
tegen
Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid),
zetelend in Den Haag,
verweerder,
advocaat: mr. C.M. Bitter te Den Haag.
Het hof zal partijen hierna noemen: [appellant] respectievelijk De Staat.
1 De zaak in het kort
Kernvraag in deze zaak is of de Staat de toenmalige werkgever van [appellant] bij brief heeft mogen informeren over een tegen [appellant] gerezen verdenking van betrokkenheid bij drugshandel en witwassen. Het hof komt net als de rechtbank tot de conclusie dat dit inderdaad mocht en dat van onrechtmatig handelen dus geen sprake is.
2 Procesverloop in hoger beroep
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
- -
-
de dagvaarding van 22 juni 2021, waarmee [appellant] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 24 maart 2021;
- -
-
de memorie van grieven van [appellant] , met bijlagen;
- -
-
de memorie van antwoord van de Staat, met bijlage;
- -
-
de akte uitlaten van [appellant] ;
- -
-
de antwoordakte van de Staat.
3 Feitelijke achtergrond
[appellant] was sinds november 1998 in dienst van [werkgever] , een bedrijf in een groep van ondernemingen die onder meer actief is in verpakkingen, opslag en transport, onder andere van wit krijtpoeder (hierna: de werkgever of [werkgever] ).
Op 10 mei 2012 is [appellant] op het terrein van de werkgever aangehouden in het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar een crimineel samenwerkingsverband in de handel in verdovende middelen en witwassen (hierna ook wel: de eerste aanhouding). Daarbij is de reden voor aanhouding niet aan de werkgever van [appellant] verteld. [appellant] heeft toen een aantal dagen in voorlopige hechtenis doorgebracht. Toen hij zes dagen later in vrijheid werd gesteld en aan zijn werkgever vertelde dat hij van witwassen werd verdacht, is hij uit de functie van coördinator [...] teruggezet naar [medewerker loods] . Bij vonnis van 28 maart 2014 heeft de meervoudige strafkamer van de rechtbank Rotterdam hem wegens witwassen veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.
Op 17 februari 2015 is [appellant] opnieuw op het terrein van de werkgever aangehouden, ditmaal op verdenking van gewoontewitwassen van geldbedragen die van drugshandel afkomstig zijn (hierna ook wel: de tweede aanhouding). Kort na deze aanhouding heeft een politieambtenaar aan de werkgever medegedeeld dat [appellant] werd verdacht van het behulpzaam zijn bij de invoer van 1.100 kilo cocaïne, waarbij € 1.100.000,- zou zijn witgewassen.
[appellant] heeft in voorlopige hechtenis gezeten totdat op 5 maart 2015 de vordering gevangenhouding door de raadkamer is afgewezen.
Op verzoek van de werkgever heeft het openbaar ministerie (hierna: OM) haar bij brief van 1 juni 2015 geïnformeerd over de tegen [appellant] gerezen verdenking (hierna ook: de brief). Deze brief heeft onder meer de volgende inhoud:
"De heer [appellant] is als [...medewerker] werkzaam bij uw bedrijf, [werkgever] Uw bedrijf is gespecialiseerd in verpakkingen en transport.
De heer [appellant] is als verdachte van gewoontewitwassen naar voren gekomen in een strafrechtelijk onderzoek van het Landelijk Parket met parketnummer (... ). Hieruit blijkt dat hij een belangrijke rol heeft gespeeld bij de organisatie van dekladingen voor transport van cocaïne. Hoewel in deze zaak nog geen sprake is van een rechterlijke veroordeling, wordt de zaak door de officier van justitie bewijsbaar geacht. De heer [appellant] zal te zijner tijd worden gedagvaard voor de meervoudige strafkamer. (... )
Voorts wil ik u in kennis stellen van het feit dat de heer [appellant] eerder is veroordeeld ter zake van witgrassen (vonnis meervoudige strafkamer van de rechtbank Rotterdam d.d. 28 maart 2014) tot 8 maanden gevangenisstraf waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Dit vonnis is overigens nog niet onherroepelijk, de heer [appellant] heeft hoger beroep ingesteld.
Gezien de eerdere veroordeling en de huidige verdenking zoals hierboven omschreven zijn er twijfels gerezen over [appellant] behoorlijk beroepsmatig functioneren. Ten behoeve van de beoordeling van de vraag of een rechtspositionele beslissing tegen [appellant] moet worden getroffen, geef ik u daarom deze informatie. De aan u verstrekte gegevens worden uitsluitend verstrekt ten behoeve van dit doeleinde. De gegevens mogen niet worden gebruikt voor andere doeleinden of zonder toestemming van het Openbaar Ministerie worden doorverstrekt. (...)”
De advocaat van [appellant] heeft bij brief van 23 juli 2015 aan de werkgever onder meer het volgende geschreven:
"Gisteren verscheen op mijn kantoor een totaal ontredderde en aangeslagen hr [appellant] , die mij een concept vaststellingsovereenkomst overhandigde en mij meedeelde dat u aan hem heeft verteld dat hij niet meer op het werk hoeft te verschijnen en dat hij thuis mag blijven. Ik deel u mede dat wij hiermee onder geen enkel beding zullen instemmen. (...) Hetgeen hem gisteren is overkomen/u hem heeft medegedeeld is een te grote psychische dreun voor hem geweest. Hij ziet het niet meer zitten en wilde een eind maken aan zijn leven. Hij heeft een zieke vrouw, zieke kinderen en u weet dat hij keihard werkt om de hypotheek te kunnen betalen en dan wil u plotseling de stekker eruit trekken. (...)
Cliënt deelde mij mede dat u een brief van het Landelijk Parket of van de Nationale Recherche heeft ontvangen en dat de daarin gedane mededelingen voor u de doorslag hebben gegeven om hem te ontslaan. (...) Ik ben van mening dat het handelen van de politie middels deze brief absoluut niet door de beugel kan."
Op 25 januari 2016 heeft de werkgever bij de kantonrechter verzocht om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [appellant] wegens een verstoorde arbeidsverhouding. [appellant] heeft verweer gevoerd. De kantonrechter heeft het verzoek na een tussen partijen getroffen schikking toegewezen en de arbeidsovereenkomst ontbonden per 1 april 2016.
In februari 2017 heeft de officier van justitie de tenlastelegging gewijzigd. De verdenking hield vanaf dat moment in: (medeplichtigheid aan) “underground banking”.
Op 24 april 2017 heeft [appellant] het OM aansprakelijk gesteld voor de volgens hem geleden en nog te lijden schade. In de brief staat dat het OM onrechtmatig heeft gehandeld door [appellant] bloot te stellen aan lichtvaardige verdachtmakingen met betrekking tot betrokkenheid bij drugshandel en door een inbreuk te maken op zijn persoonlijke levenssfeer. Volgens [appellant] is door het handelen van het OM een arbeidsconflict ontstaan tussen hem en zijn werkgever, met uiteindelijk de beëindiging van de arbeidsovereenkomst als gevolg.
Op 18 januari 2019 heeft de officier van justitie besloten de zaak tegen [appellant] te seponeren wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs (sepotcode 02).
Bij beschikking van 14 februari 2020 heeft de rechtbank Rotterdam op verzoek van [appellant] een schadevergoeding op grond van de artikelen 89 en 591a Wetboek van Strafvordering (Sv) aan hem toegekend van in totaal € 3.335,- (o.a. € 1.785,- voor het ondergane voorarrest en € 1.000,- voor loonderving).