Home

Gerechtshof Den Haag, 11-06-2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:1008, 200.329.153/01

Gerechtshof Den Haag, 11-06-2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:1008, 200.329.153/01

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
11 juni 2024
Datum publicatie
6 augustus 2024
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2024:1008
Zaaknummer
200.329.153/01

Inhoudsindicatie

Werkgever legt twee keer conservatoir (bewijs)beslag ten laste van oud werknemer en diens nieuwe werkgever in verband met verwijt dat hij relatiebeding in vso heeft overtreden. Hof bekrachtigt vonnis van de rechtbank waarin vordering tot opheffing van het beslag wordt afgewezen. Tweede beslag is niet onrechtmatig en belangenafweging valt niet uit in voordeel van de oud werknemer.

Uitspraak

Civiel recht

Team Handel

Zaaknummer hof : 200.329.153/01

Zaaknummer rechtbank : C/10/658828 / KG ZA 23-466

Arrest in kort geding van 11 juni 2024 (bij vervroeging)

in de zaak van

[appellant] ,

wonend in [woonplaats] ,

Container & Co B.V.,

Container Holding B.V.,

[naam1] Beheer B.V.,

alle gevestigd in Rotterdam,

appellanten in principaal hoger beroep,

verweerders in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. M.H. Gardien kantoorhoudend in Rotterdam,

tegen

Unsworth Transport International Forwarding B.V.,

gevestigd in Spijkenisse,

verweerster in principaal hoger beroep,

appellante in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. J.L. van Schouten, kantoorhoudend in Amstelveen.

Het hof zal de partijen hierna noemen Container c.s. en UTI en de drie vennootschappen gezamenlijk Container & Co.

1 De zaak in het kort

1.1

Container c.s. vordert opheffing van het beslag dat ten laste van haar is gelegd. Net als de voorzieningenrechter van de rechtbank wijst het hof deze vordering af.

2 Procesverloop in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:

-

de dagvaarding van 26 juni 2023, waarmee Container c.s. in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam van 22 juni 2023;

-

de memorie van grieven van Container c.s., met bijlagen;

-

de akte aanvulling memorie van grieven van Container c.s.;

-

de memorie van antwoord tevens houdende memorie van grieven in incidenteel appel van UTI, met bijlagen;

-

de memorie van antwoord in incidenteel appel van Container c.s.;

-

de bijlagen die UTI ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling heeft toegezonden betreffende producties van UTI in eerste aanleg en producties van UTI bij memorie van antwoord/memorie van grieven in incidenteel appel.

2.2

Op 8 april 2024 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt dat aan partijen is toegezonden. Mr. Gardien heeft bij brief van 24 april 2024 en mr. Van Schouten bij brief van 25 april 2024 gereageerd op het proces-verbaal. Beide brieven zijn aan het proces-verbaal gehecht.

2.3

Het hof heeft de procedure op verzoek van partijen aangehouden in verband met schikkingsonderhandelingen. Ter rolzitting van 30 april 2024 is aan het hof bericht dat partijen geen schikking hebben bereikt en hebben zij om arrest gevraagd.

3 Feitelijke achtergrond

3.1

[appellant] is tot 2021 in dienst geweest van UTI.

3.2

Eind 2021 is [appellant] een eigen bedrijf gestart onder de naam Container & Co B.V.

3.3

UTI heeft [appellant] verweten dat hij het in zijn arbeidsovereenkomst opgenomen relatiebeding heeft geschonden. Partijen hebben onderhandeld over een minnelijke afwikkeling van dit geschil. Zij hebben op 15 februari 2021 een vaststellingsovereenkomst gesloten waarin onder meer is bepaald dat [appellant] tot en met 30 november 2022 geen zaken mocht doen met de in de bijlage van die overeenkomst genoemde klanten/relaties.

3.4

UTI heeft [appellant] nadien verweten dat hij ook de vaststellingsovereenkomst heeft overtreden.

3.5

Op 17 februari 2023 heeft UTI, na verkregen verlof, ten laste van Container c.s. en vier werknemers van Container c.s., conservatoir bewijsbeslag gelegd (hierna: het Eerste Beslag). De beslagen bescheiden zijn in bewaring gegeven bij Riscon Arnhem B.V. (hierna: Riscon of ‘de bewaarder’). De bescheiden betreffen gegevensdragers met daarop een kopie van gegevens van (onder andere) Container c.s.

3.6

Op 1 maart 2023 - binnen de in het beslagverlof bepaalde termijn - heeft UTI Container c.s. en de vier werknemers in kort geding gedagvaard en inzage gevorderd in de door het Eerste Beslag getroffen bescheiden.

3.7

Bij vonnis van 19 april 2023 heeft de voorzieningenrechter de eis van UTI afgewezen. In dit vonnis (hierna: het Eerste Vonnis) heeft de voorzieningenrechter onder meer overwogen:

4.4 (...)

Beslissend is echter dat een spoedeisend belang van UTI bij haar vordering ontbreekt. De vaststaande overtredingen geven UTI voldoende materiaal om een bodemprocedure aanhangig te maken. Daarin kan UTI, zo nodig - dat wil zeggen als de rechter van oordeel is dat en in hoeverre de bewijslast op haar rust -, inzage in bescheiden vorderen. Omdat de bescheiden reeds zijn veiliggesteld kan die bodemprocedure zonder bezwaar worden afgewacht.

4.5.

Het vorenstaande leidt ertoe dat de inzagevordering op [appellant] en Container & Co wordt afgewezen. Anders dan [appellant] en Container & Co ter zitting, hebben betoogd, leidt afwijzing van de vordering niet automatisch tot opheffing van het bewijsbeslag. Op grond van artikel 704 lid 2 Rv vervalt een beslag pas van rechtswege indien de eis in de hoofdzaak wordt afgewezen en deze afwijzing in kracht van gewijsde is gegaan. Die situatie is niet aan de orde. Het bewijsbeslag blijft dus in stand en de bescheiden blijven in bewaring.

3.8

Tegen het Eerste Vonnis heeft UTI geen hoger beroep ingesteld.

3.9

Container c.s. hebben op 24 mei 2023 UTI verzocht per ommegaande de deurwaarder en de bewaarder te instrueren de door het Eerste Beslag getroffen bescheiden te vernietigen. De advocaat van UTI heeft hierop laten weten dat naar zijn mening de beslagen zijn blijven liggen totdat in de bodemprocedure is beslist. Op 25 mei 2024 heeft Container c.s. UTI art. 704 Rv voorgehouden en erop gewezen dat het Eerste Beslag na het verstrijken van de appeltermijn op 18 mei 2023 van rechtswege zou zijn vervallen.

3.10

Op 30 mei 2023 heeft UTI, na opnieuw verkregen verlof, ten laste van onder andere Container c.s. en de vier werknemers conservatoir beslag tot afgifte gelegd onder de bewaarder op de bescheiden die door het Eerste Beslag zijn getroffen (hierna: het Tweede Beslag).

3.11

Op 6 juni 2023 heeft UTI [appellant] gedagvaard voor de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam en Container & Co B.V. voor de rechtbank Rotterdam over de schending van de vaststellingsovereenkomst en over inzage in de door de beslagen getroffen bescheiden.

4 Procedure bij de voorzieningenrechter van de rechtbank

5 Vorderingen in hoger beroep

6 Beoordeling in hoger beroep

7 Beslissing