Home

Gerechtshof Den Haag, 23-10-2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:2916, 22-005566-19

Gerechtshof Den Haag, 23-10-2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:2916, 22-005566-19

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
23 oktober 2024
Datum publicatie
17 februari 2026
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2024:2916
Formele relaties
Zaaknummer
22-005566-19

Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag. Gepubliceerd naar aanleiding arrest van de Hoge Raad.

Uitspraak

Rolnummer: 22-005566-19

Parketnummer: 10-732032-19

Datum uitspraak: 23 oktober 2024

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 3 december 2019 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteland] op [geboortedatum] 1997,

adres: [woonadres] , [woonplaats]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het impliciet primair tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het impliciet subsidiair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren.

Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 05 mei 2018 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een mes, althans een scherp voorwerp, in de buik, althans het bovenlichaam, van die [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het impliciet primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 63 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar en tot een taakstraf voor de duur van 180 uren, te vervangen door 90 dagen hechtenis.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het impliciet primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op of omstreeks 05 mei 2018 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een mes, althans een scherp voorwerp, in de buik, althans het bovenlichaam, van die [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders ten laste is gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

Standpunt verdediging

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte zich - overeenkomstig zijn overgelegde pleitnota – primair op het standpunt gesteld dat de verdachte integraal vrijgesproken dient te worden van het tenlastegelegde, vanwege het ontbreken van opzet. Hiertoe is aangevoerd dat de verdachte het mes heeft gebruikt om het slachtoffer van zich af te houden, terwijl het slachtoffer vervolgens in het mes is gelopen, zodat het opzet op de dood, dan wel het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, ontbreekt. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de verdachte een beroep toekomt op noodweer, nu de verdachte zich geconfronteerd zag met een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding door aangever, dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor en redelijkerwijs mocht denken in een noodweersituatie te hebben verkeerd. Meer subsidiair is een beroep gedaan op noodweerexces.

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte ter zake van het impliciet primair tenlastegelegde veroordeeld moet worden. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat het scenario dat het slachtoffer in het mes van de verdachte is gelopen niet aannemelijk is geworden en derhalve terzijde moet worden geschoven. Daarnaast heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat aan de verdachte evenmin een beroep op noodweer(exces) toekomt.

Beoordeling

Het hof gaat op grond van de bewijsmiddelen uit van de volgende feiten en omstandigheden.

In de avond van 5 mei 2018 heeft een steekincident plaatsgevonden in de woning van de verdachte en haar toenmalige vriend, [slachtoffer] , tevens het slachtoffer. Meerdere buren hebben gehoord dat de verdachte en het slachtoffer hevig ruzie maakten en tegen elkaar schreeuwden. Getuige [getuige 1] heeft gezien dat de verdachte en het slachtoffer elkaar daarbij over en weer met vuisten sloegen. Deze getuige heeft korte tijd later die avond de verdachte tegen haar horen zeggen: “Meisje bel de ambulance want ik heb hem gestoken”. Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij het slachtoffer tegen de verdachte hoorde schreeuwen: “Je hebt mij gedood! Je hebt mij gedood!” In het ziekenhuis heeft de verdachte – nadat zij werd aangehouden door een verbalisant, waarbij haar was meegedeeld dat zij was aangehouden voor poging doodslag – gezegd: “Ik weet het, ik heb spijt”, of woorden van gelijke strekking.

Uit onderzoek is gebleken dat op de vloer van de woning van de verdachte een mes is aangetroffen, met op het lemmet een rode, op bloed gelijkende substantie. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte aangegeven dat dit ook het mes is waarmee de verdachte is gestoken.

Blijkens de in het dossier bevindende medische informatie betreffende het slachtoffer, heeft hij een steekwond ter hoogte van zijn borstreek, rondom de hartstreek opgelopen. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 6 mei 2018 volgt dat het slachtoffer rond de hartstreek was gestoken, hij veel bloed had verloren, hij geïntubeerd was en op de intensive-care afdeling buiten bewustzijn werd gehouden. Door de raadsman van het slachtoffer zijn voorts medische stukken in het geding gebracht, waarin bevestigd wordt dat het slachtoffer een steekverwonding had in het linkerdeel van zijn borstkas. Daarnaast volgt uit de stukken dat er een drain was geplaatst en dat het slachtoffer vier dagen in het ziekenhuis heeft gelegen.

Beoordeling alternatief scenario

De verdachte en haar raadsman hebben naar voren gebracht dat het slachtoffer op een andere wijze gewond is geraakt. De verdachte is – nadat zij en het slachtoffer elkaar over en weer hadden geslagen - naar de keuken gelopen. Het slachtoffer is toen achter haar aan gelopen, heeft de keukendeur dichtgedaan en wilde – ondanks dat de verdachte hem dat herhaalde malen had gevraagd - de woning niet verlaten. Hij bleef op haar afkomen. De verdachte heeft vervolgens een mes uit een la gepakt. Zij heeft dat mes onderhands vastgehouden om de verdachte op afstand te houden. Zij heeft geen steekbewegingen gemaakt, maar het slachtoffer is vervolgens in het mes gelopen, aldus de verdachte en de raadsman.

Het hof is van oordeel dat dit alternatieve scenario niet aannemelijk is geworden. Tot dat oordeel draagt (mede) bij de mate van voorstelbaarheid en daarmee onwaarschijnlijkheid van het door de verdachte geschetste scenario. De steekwond bevond zich in het linkerdeel van de borst, ter hoogte van de hartstreek, terwijl de verdachte stellig heeft aangegeven dat zij het mes onderhands vast hield. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft zij laten zien hoe zij dit heeft gedaan, waarbij – naar het hof heeft waargenomen – het mes zich (globaal) moet hebben bevonden ter hoogte van, of iets onder, het middenrif van de verdachte. Verder heeft zij ter zitting verklaard dat het slachtoffer en zij even groot zijn. Het hof is van oordeel dat het, gelet op die omstandigheden en het geschetste hoogteverschil, niet mogelijk is dat de steekwond is ontstaan doordat het slachtoffer in het – onderhands vastgehouden - mes is gelopen. Alsdan zou de steekwond zich op een aanzienlijk lager niveau moeten hebben bevonden. Voorts vereist het ontstaan van een steekwond - naar algemene ervaringsregels – dat een mes met enige kracht in het lichaam wordt gebracht. Gelet op deze feiten en omstandigheden is het niet aannemelijk dat de verdachte voornoemd letsel heeft opgelopen door in het mes te lopen.

Het alternatieve scenario wordt derhalve verworpen.

Gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden – in onderlinge samenhang bezien – kan buiten redelijke twijfel vastgesteld worden dat de verdachte het slachtoffer met het mes heeft gestoken.

Voorwaardelijk opzet

Voor een bewezenverklaring van een poging tot doodslag is vereist dat de verdachte opzet moet hebben gehad op de dood van het slachtoffer. Met de rechtbank, de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat noch uit de verklaringen van de verdachte, noch anderszins, is gebleken dat de verdachte het oogmerk (het volle opzet) had om het slachtoffer om het leven te brengen.

De te beantwoorden vraag is vervolgens of de verdachte daartoe voorwaardelijk opzet heeft gehad.

De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk te achten is of, anders gezegd, om een in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zo’n kans, is bovendien vereist dat de verdachte de wetenschap heeft gehad van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zou intreden (bewustheid) en dat zij die kans bewust heeft aanvaard (op de koop heeft toegenomen).

Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte voorwaardelijk opzet gehad op het toebrengen van dodelijk letsel bij het slachtoffer.

De verdachte heeft immers met een mes het slachtoffer rondom zijn hartstreek gestoken, waar zich onder meer vitale organen bevinden, zoals het hart en de longen. Dit handelen is naar de uiterlijke verschijningsvorm – behoudens contra-indicaties waarvan niet is gebleken – zodanig gericht op het toebrengen van dodelijk letsel, dat het niet anders kan dan dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer zou komen te overlijden en zij deze kans ook bewust heeft aanvaard.

Noodweer(exces)

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting stelt het hof het volgende vast.

Tussen de verdachte en het slachtoffer heeft voorafgaand aan het steekincident een ruzie plaatsgevonden, waarbij over en weer werd geslagen. Uit de afgelegde verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep leidt het hof af dat het slachtoffer de voordeur van de woning op slot had gedraaid. De verdachte is vervolgens naar boven gegaan, waarna het slachtoffer haar achtervolgde. De verdachte bleef roepen dat het slachtoffer haar met rust moest laten. Hij gaf hieraan geen gehoor. Integendeel, hij bleef haar achtervolgen en de ruzie en het gevecht tussen hen beide werd vervolgd in de keuken. Het slachtoffer heeft toen de keukendeur dicht gedaan en is tussen haar en de deur blijven staan, zodat de verdachte niet naar buiten kon. Het slachtoffer kwam op haar af. Vervolgens heeft de verdachte een mes gepakt en heeft zij – zoals hiervoor vastgesteld - met het mes op aangever ingestoken.

Naar het oordeel van het hof kunnen deze gedragingen van het slachtoffer, temeer nu zich kort daarvoor een vechtpartij tussen hem en de verdachte had voorgedaan, weliswaar ten minste worden gekwalificeerd als een onmiddellijk dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waartegen verdediging geboden was, maar het door de verdachte gekozen verdedigingsmiddel voldoet niet aan het proportionaliteitsvereiste. Het met een mes steken in de hartstreek van het slachtoffer staat niet in redelijke verhouding tot de ernst van de (dreigende) aanranding en de omstandigheden waaronder deze plaatsvond.

Het beroep op noodweer zal dan ook worden verworpen.

Nu het hof heeft geoordeeld dat er sprake is van een overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging, ziet het hof zich vervolgens voor de vraag gesteld of de verdachte een geslaagd beroep op noodweerexces toekomt.

Naar het oordeel van het hof dient het verweer dat er sprake is van noodweerexces evenwel verworpen te worden, reeds nu dit verweer onvoldoende is onderbouwd en niet verder is geconcretiseerd.

Het beroep op noodweerexces zal daarom eveneens worden verworpen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het impliciet primair bewezenverklaarde levert op:

poging tot doodslag.

BESLISSING