Gerechtshof Den Haag, 23-07-2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:1853, 200.344.495/01 en 200.344.497/01
Gerechtshof Den Haag, 23-07-2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:1853, 200.344.495/01 en 200.344.497/01
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Den Haag
- Datum uitspraak
- 23 juli 2025
- Datum publicatie
- 15 september 2025
- ECLI
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1853
- Zaaknummer
- 200.344.495/01 en 200.344.497/01
Inhoudsindicatie
Echtscheiding met nevenvoorzieningen. Verdeling huwelijksgoederengemeenschap.
Vordering op grond van rentenadeel bij toedeling echtelijke woning en hypotheekschuld aan één der (ex-)echtgenoten.
Mogelijke grondslagen: ongerechtvaardigde verrijking of actuele waarde van de hypotheekschuld.
Begroting van de schade.
Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Familie
zaaknummers : 200.344.495/01 (echtscheiding) en 200.344.497/01 (verdeling)
rekestnummers rechtbank : FA RK 22-7515 (echtscheiding) en FA RK 23-2558 (verdeling)
zaaknummers rechtbank : C/09/637814 (echtscheiding) en C/09/645706 (verdeling)
beschikking van de meervoudige kamer van 23 juli 2025
inzake
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in het principaal hoger beroep,
verweerder in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. H. van Pelt-de Jong te Alphen aan den Rijn ,
tegen
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerster in het principaal hoger beroep,
verzoekster in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. P. Minkes te Amsterdam.
In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:
de raad voor de kinderbescherming, regio Haaglanden,
hierna te noemen: de raad.
1 Het verloop van het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Den Haag (hierna: de rechtbank) van 10 april 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking).
2 Het geding in hoger beroep
De man is op 10 juli 2024 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
De vrouw heeft op 3 december 2024 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.
De man heeft op 16 januari 2025 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
- een journaalbericht van de zijde van de man van 13 augustus 2024 met bijlage, ingekomen op diezelfde datum;
- een e-mail van de zijde van de man van 3 september 2024 met bijlage;
- een journaalbericht van de zijde van de man van 7 oktober 2024 met bijlage, ingekomen op 8 oktober 2024;
- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 27 januari 2025, ingekomen op diezelfde datum;
- een journaalbericht van de zijde van de raad van 12 februari 2025 met bijlage, ingekomen op 13 februari 2025;
- een journaalbericht van de zijde van de man van 20 februari 2025 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;
- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 3 maart 2025 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;
- een e-mail van de zijde van de vrouw van 4 maart 2025.
Het hof heeft partijen op 10 maart 2025 per e-mail een agenda toegestuurd voor de mondelinge behandeling.
De mondelinge behandeling heeft op 13 maart 2025 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de man, bijgestaan door zijn advocaat;
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .
De advocaat van de vrouw heeft ter zitting een pleitnotitie overgelegd.
3 De feiten
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.
Partijen zijn in gemeenschap van goederen gehuwd op [datum] 2016 te [plaats] .
Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] (hierna: [minderjarige 1] ),
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats] (hierna: [minderjarige 2] ),
hierna gezamenlijk te noemen: de kinderen.
De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.
De kinderen staan op dit moment op het BRP-adres bij de vrouw ingeschreven.
Voorts is in hoger beroep gebleken dat de echtscheidingsbeschikking op 26 juni 2024 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.