Gerechtshof Den Haag, 10-06-2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:1997, 200.353.561/01
Gerechtshof Den Haag, 10-06-2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:1997, 200.353.561/01
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Den Haag
- Datum uitspraak
- 10 juni 2025
- Datum publicatie
- 25 september 2025
- ECLI
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1997
- Zaaknummer
- 200.353.561/01
Inhoudsindicatie
Verzoek tot faillietverklaring afgewezen. Indien na een opheffing wegens gebrek aan baten binnen drie jaar een nieuwe aanvraag tot faillietverklaring wordt gedaan is de aanvrager verplicht aan te tonen, dat er voldoende baten aanwezig zijn om de kosten van het faillissement te bestrijden. (artikel 18 Fw)
Uitspraak
Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.353.561/01
Zaaknummer rechtbank : C/10/25/134 F
Arrest van 10 juni 2025
in de zaak van
[appellant] , voorheen handelend onder de naam [eenmanszaak 1],
wonend in [woonplaats],
appellant,
advocaat: mr. P.A. Loeff, kantoorhoudend in Barendrecht,
tegen
1 [naam] B.V.,
2. [naam] B.V.,
beiden gevestigd in [vestigingsplaats],
geïntimeerden,
advocaat: mr. J. Smael, kantoorhoudend in Rotterdam.
Het hof noemt appellant hierna [appellant] en geïntimeerden respectievelijk [aanvrager 1] en [aanvrager 2], en gezamenlijk: aanvragers.
1 Procesverloop
Bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 8 april 2025 is [appellant] in staat van faillissement verklaard, met benoeming van mr. M.C. Franken tot rechter-commissaris en met aanstelling van mr. M.N.A. Littooij, advocaat te Rotterdam, als curator. Bij beroepschrift (met producties 1 t/m 12) ingekomen ter griffie van het hof op 16 april 2025, is [appellant] van voornoemd vonnis in hoger beroep gekomen en heeft hij het hof verzocht dat vonnis te vernietigen. Het hof heeft verder kennisgenomen van de volgende stukken:
- het verslag van de curator en zijn reactie op het beroepschrift, ontvangen op 28 mei 2025; - producties 13 en 14 van [appellant], ontvangen op 30 mei 2025;
- een verweerschrift met producties 1 t/m 9 van aanvragers, ontvangen op 2 juni 2025. Ter zitting heeft mr. Loeff kopie-bankafschriften van [vof] overgelegd.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 3 juni 2025, waarbij zijn verschenen:
- -
-
[appellant], bijgestaan door zijn advocaat,
- -
-
mr. Smael, voornoemde advocaat van aanvragers,
- -
-
mr. W.H.B.K. Nieuwesteeg namens de curator.
2 Beoordeling van het hoger beroep
In het bestreden vonnis heeft de rechtbank – samengevat – het volgende overwogen.
[appellant] is eerder failliet verklaard, welk faillissement op 6 september 2022 is opgeheven wegens gebrek aan baten. Op grond van artikel 18 van de Faillissementswet (Fw) kan een nieuw faillissement in een dergelijk geval slechts worden uitgesproken indien een aanvrager kan aantonen dat er voldoende baten zijn om de kosten van het faillissement te bestrijden. Met aanvragers is de rechtbank van oordeel dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat er voldoende baten zijn om de kosten van het faillissement te bestrijden, nu er kennelijk voldoende actief is om een nieuwe handel op te zetten in natuursteen, zoals ter zitting door [appellant] is verklaard.
Voorts is summierlijk gebleken van het vorderingsrecht van [aanvrager 1] en van het bestaan van feiten en omstandigheden die aantonen dat [appellant] in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen. Daarbij heeft de rechtbank onder meer overwogen dat er naast de onbetaald gelaten vordering van [aanvrager 1] een vordering is van de Belastingdienst, die door [appellant] is erkend.
[appellant] komt met zijn grief op tegen het oordeel van de rechtbank dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat er baten zijn om de kosten van het faillissement te bestrijden. De rechtbank heeft uit het gegeven dat [appellant] na de opheffing van zijn eerdere faillissement een eenmanszaak ([eenmanszaak 2]) is begonnen, ten onrechte de conclusie getrokken dat voldoende aannemelijk is dat er baten zijn. Volgens [appellant] hebben de aanvragers dit onvoldoende aangetoond, waardoor het faillissement op grond van artikel 18 Fw niet uitgesproken had mogen worden.
[appellant] is enig bestuurder en enig aandeelhouder van [rechtspersoon 1] B.V., die op haar beurt enig bestuurder en aandeelhouder is van [rechtspersoon 2] B.V. [appellant] heeft sinds zijn vorige faillissement niets met deze rechtspersonen gedaan. Het zijn lege rechtspersonen en de waarde van de aandelen is nihil. Ook de vennootschap onder firma [vof] waarvan [appellant] mede-vennoot is, verricht sinds zijn vorige faillissement geen activiteiten meer. Het banksaldo is € 865,43 negatief. [appellant] verkeerde in de veronderstelling dat voornoemde vennootschappen als gevolg van zijn eerdere faillissement al uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel waren uitgeschreven door de curator in dat faillissement.
[appellant] heeft op 26 oktober 2022 de eenmanszaak [eenmanszaak 2] ingeschreven in het handelsregister. De eenmanszaak heeft geen vorderingen op debiteuren of andere bezittingen. [appellant] heeft in de afgelopen jaren als tussenpersoon een aantal deals – volgens [appellant] drie deals, alle in 2024 – tot stand gebracht tussen kopers en verkopers van natuursteen. Zelf heeft hij geen voorraden natuursteen of een winkel van waaruit natuursteen wordt verkocht.
[appellant] heeft geen vermogen en heeft slechts een verwaarloosbaar banksaldo.
Volgens het verslag van de curator hebben vijf crediteuren een vordering ingediend. Het totaal van die vorderingen bedraagt € 267.416,93. In dat bedrag is begrepen een vordering van Volkswagen Pon van € 27.445,58 die op de lijst van voorlopig betwiste crediteuren is gezet. Het bedrag aan de activa-zijde is nihil. [appellant] heeft geen onroerend goed, er staan geen voertuigen op zijn naam gesteld, het gecombineerde banksaldo van de privérekeningen is negatief (debet), [rechtspersoon 1] B.V. en [rechtspersoon 2] B.V. zijn lege vennootschappen, de zakelijke bankrekening van de eenmanszaak [eenmanszaak 2] vertoont een te verwaarlozen positief saldo van € 2,25 en de eenmanszaak heeft volgens opgave van [appellant] geen voorraden of debiteurenvorderingen. De eenmanszaak [eenmanszaak 2] is door het faillissement stil komen te liggen. Er hebben zich geen klanten van [eenmanszaak 2] bij de curator gemeld noch partijen die in een overname zijn geïnteresseerd. Door de curator in het vorige faillissement van [appellant] is onderzoek gedaan naar het te gelde maken van de aandelen in [rechtspersoon 1] B.V. Deze curator is echter (klaarblijkelijk) tot de conclusie gekomen dat de aandelen geen waarde vertegenwoordigen. Het verzamelinkomen van [appellant] over 2023 was nihil. Van andere (substantiële) baten bij [appellant] is de curator niet gebleken en die baten zijn ook niet (op korte termijn) te verwachten. Er zijn inmiddels wel substantiële faillissementskosten, die inclusief de kosten in verband met de zitting en de nawerkzaamheden worden begroot op € 7.854,27 excl. btw. Gelet op het gebrek aan baten is er geen dekking voor deze kosten. Aan aanvragers is gevraagd of zij bereid zijn de te verwachten faillissementskosten te dekken, maar die hebben te kennen gegeven daartoe niet bereid te zijn. De curator deelt de visie van [appellant] dat bij de aanvraag van het faillissement niet voldaan was (en ook thans niet is of op korte termijn zal worden) aan het bepaalde in artikel 18 Fw, en dat het faillissement dient te worden vernietigd.
Aanvragers stellen zich op het standpunt dat zij aan de hand van de hun bekende informatie voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat sprake is van een redelijk vermoeden dat de kosten van het faillissement kunnen worden bestreden en dat niet meer van hen verwacht had kunnen worden. Het ligt op de weg van de curator om onderzoek te doen naar het bestaan van activa zoals de waarde van de aandelen in de B.V.’s van [appellant], de activiteiten in [eenmanszaak 2] en in [vof]. Blijkens de urenspecificatie bij de opgave van de faillissementskosten van de curator, heeft dat onderzoek niet of nauwelijks plaatsgevonden.
Op basis van de aan het hof overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting overweegt het hof als volgt.
[appellant] is eerder op 23 maart 2021 failliet verklaard. Dat faillissement is op 6 september 2022 opgeheven wegens gebrek aan baten. De vraag die hier centraal staat is of de huidige aanvraag tot faillietverklaring van [appellant] voldoet aan de voorwaarde van artikel 18 Fw, dat bepaalt dat aanvragers bij een nieuwe aanvraag tot faillietverklaring binnen drie jaar na de opheffing van een eerder faillissement wegens gebrek aan baten, verplicht zijn aan te tonen dat er voldoende baten aanwezig zijn om de kosten van het faillissement te bestrijden.
Het hof is van oordeel dat aanvragers daarin niet zijn geslaagd. Aanvragers hebben blijkens het proces-verbaal in eerste aanleg, in dit verband als baten genoemd de aandelen in de B.V.’s, mogelijke activa (voertuigen) en er is gewezen op de inschrijving van de eenmanszaak [eenmanszaak 2] bij de Kamer van Koophandel. Een dergelijke opsomming is zonder nadere onderbouwing (die niet is gegeven) onvoldoende om op grond daarvan te concluderen dat is aangetoond dat er voldoende baten aanwezig zijn om de faillissementskosten te bestrijden en evenmin dat aannemelijk is dat de dekking van de faillissementskosten op korte termijn verzekerd is. De bevindingen van de curator in dit stadium wijzen ook in de richting dat er op dit moment geen baten zijn bij [appellant] en er ook geen (substantiële) baten (op de korte termijn) zijn te verwachten. Dat de aandelen in de (lege) B.V.’s een substantiële waarde vertegenwoordigen en die op korte termijn te gelde kunnen worden gemaakt, is niet aannemelijk geworden. Aanvragers die stellen wel belangstelling te hebben voor die aandelen, hebben in ieder geval geen bod op die aandelen gedaan. Verder bestaat er, zo begrijpt het hof, bij de curator op grond van de thans bekende informatie – de bankafschriften van [eenmanszaak 2] en de bankafschriften van [vof] die ter zitting zijn overgelegd – geen aanleiding om aan te nemen dat [appellant] (nog) inkomsten genereert uit de eenmanszaak en de vof. Gelet op het gebrek aan baten en het feit dat aanvragers niet bereid zijn gebleken om de (te verwachten) faillissementskosten te dekken is het hof met [appellant] en de curator van oordeel dat niet aannemelijk is dat de dekking van de te verwachten faillissementskosten verzekerd is.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het bestreden vonnis dient te worden vernietigd omdat niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 18 Fw.
Ingevolge artikel 15 lid 3 Fw is het thans aan het hof om de faillissementskosten vast te stellen en dit bedrag ten laste te brengen van degene die de faillietverklaring heeft aangevraagd, en/of van de schuldenaar. De curator heeft bij zijn verslag als Bijlage 5 een berekening van de salariskosten overgelegd. In totaal worden 29 uren in rekening gebracht, hetgeen resulteert in een bedrag van € 7.854,27 excl. btw aan salaris en verschotten. De curator heeft het hof verzocht om dit bedrag ten laste van aanvragers te brengen. Door aanvragers is in het verweerschrift en ter zitting bezwaar gemaakt tegen de hoogte van de door de curator ingediende faillissementskosten. Aanvragers menen dat het redelijk is indien de gemaakte faillissementskosten voor rekening van de boedel/curator komen omdat de daadwerkelijke werkzaamheden verband houdend met de afwikkeling van het faillissement zeer beperkt zijn gebleven.
Het hof stelt vast dat uit het door de curator bijgevoegde overzicht van verrichte werkzaamheden blijkt dat 11,2 uren zien op onderzoek en opstellen memorandum inzake artikel 18 Fw. Het hof zal deze uren (6 uren van mr. Nieuwesteeg en 5,2 uren van mr. Littooij) buiten beschouwing laten, aangezien van de curator verwacht mag worden dat hij bekend is met die materie. Daarmee rekening houdende zal het hof de faillissementskosten, waaronder het salaris van de curator, vaststellen op € 5.031,23 excl. btw / € 6.087,79 incl. btw. Gezien de uitkomst van dit hoger beroep ziet het hof aanleiding aanvragers hoofdelijk te veroordelen in de aldus vastgestelde faillissementskosten.
Bij deze uitkomst past ook dat aanvragers hoofdelijk worden veroordeeld in de kosten van dit hoger beroep, aan de zijde van [appellant] begroot op € 362,- aan griffierecht en € 2.428,- (2 punten x tarief II) aan salaris advocaat, in totaal € 2.790,-.