Gerechtshof Den Haag, 20-05-2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:974, 200.331.541/01
Gerechtshof Den Haag, 20-05-2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:974, 200.331.541/01
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Den Haag
- Datum uitspraak
- 20 mei 2025
- Datum publicatie
- 3 juni 2025
- ECLI
- ECLI:NL:GHDHA:2025:974
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2023:2069, Bekrachtiging/bevestiging
- Zaaknummer
- 200.331.541/01
Inhoudsindicatie
Boedelschuld. Onroerende zaakbelasting. Levert een na datum faillissement opgelegde aanslag onroerende zaakbelasting voor een tijdvak dat na faillissement ligt, een boedelschuld op? Is sprake van baat voor de boedel ex artikel 24 Fw, voortzetting van de onderneming van gefailleerde in de zin van artikel 98 Fw of een door de curator in zijn hoedanigheid na te leven verplichting? Is de boedel ongerechtvaardigd verrijkt?
Uitspraak
Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.331.541/01
Zaaknummer rechtbank : C/10/643649 / HA ZA 22-682
arrest van 20 mei 2025
in de zaak van
de publiekrechtelijke rechtspersoon Gemeente Rotterdam,
zetelend in Rotterdam,
appellante,
advocaat: mr. J.H. van der Weide, kantoorhoudend in Den Haag,
tegen
[geïntimeerde] , in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de
commanditaire vennootschap Rijnmond Energie C.V.,
kantoorhoudend in [plaats] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. J.G.M. Roijers, kantoorhoudend in Rotterdam.
Het hof zal partijen hierna de gemeente respectievelijk de curator noemen.
1 De zaak in het kort
Het gaat in deze zaak om de vraag of de door de gemeente na datum faillissement aan Rijnmond Energie C.V. opgelegde aanslag onroerende zaakbelasting en precariobelasting (de OZB-aanslag) voor een tijdvak dat na datum faillissement ligt, een boedelschuld oplevert. Volgens de gemeente is dat het geval. De curator meent dat dat niet zo is. De rechtbank heeft geoordeeld dat de OZB-aanslag niet kwalificeert als een boedelschuld in het faillissement. Het door de gemeente tegen het vonnis van de rechtbank ingestelde hoger beroep slaagt niet.
2 Procesverloop in hoger beroep
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
- -
-
de dagvaarding van 2 juni 2023, waarmee de gemeente in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 8 maart 2023 (hierna ook: het vonnis);
- -
-
de memorie van grieven van de gemeente;
- -
-
de memorie van antwoord van de curator.
Op 4 maart 2025 is de zaak mondeling behandeld ter zitting van het hof. Partijen hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd. Vervolgens is arrest bepaald.
3 Feiten
De rechtbank is in het vonnis onder 2.1 tot en met 2.10 van een aantal feiten uitgegaan. Deze feiten zijn niet in geschil, zodat ook het hof deze feiten tot uitgangspunt zal nemen, aangevuld met feiten die evenmin in geschil zijn. Het gaat in deze zaak om het volgende.
Rijnmond Energie C.V. (hierna: Rijnmond Energie) exploiteerde sinds 3 december 2001 een gasgestookte energiecentrale aan de Vondelingenplaat te Rotterdam (hierna: de energiecentrale). De beherend vennoot van Rijnmond Energie was de besloten vennootschap Madroel Energie B.V. (hierna: Madroel Energie).
Op 20 oktober 2015 zijn Rijnmond Energie en Madroel Energie in staat van faillissement verklaard met aanstelling van [geïntimeerde] als curator.
Ten tijde van het faillissement was de energiecentrale niet in bedrijf. Zij was stilgelegd en werd geconserveerd, met het oog op behoud van de waarde ervan (ook wel aangeduid als “mottenballenstatus”). De energiecentrale diende als onderpand voor verschillende zekerheidsgerechtigden.
De curator en de zekerheidsgerechtigden hebben afspraken gemaakt over de wijze waarop aan het behoud van de waarde van de energiecentrale invulling werd gegeven. Een van de afspraken was dat de zekerheidsgerechtigden de kosten droegen van de conservatie van de energiecentrale. Deze afspraak en afspraken over de verkoop van de energiecentrale door middel van een onderhandse veiling zijn vastgelegd in een Heads of Terms Sale Process Rijnmond van 12 november 2015. Onderdeel van de gemaakte afspraken is ook dat bij een afgeronde verkoop een op voorhand vastgestelde bijdrage aan de boedel zou worden voldaan.
Het veilingproces heeft ertoe geleid dat op 22 december 2015 tussen de curator en GSO Capital Holding B.V. (hierna: GSO) een Sale and Purchase Agreement (hierna: de SPA) is gesloten. Op basis daarvan zijn de energiecentrale en het recht van erfpacht met betrekking tot het perceel waarop de energiecentrale is gelegen (hierna: het recht van erfpacht) aan GSO verkocht en zijn afspraken gemaakt over de (economische) overdracht.
Op grond van de SPA is per 22 december 2015 de economische eigendom van de energiecentrale en het recht van erfpacht op GSO overgegaan en komen vanaf dat moment de kosten en inkomsten met betrekking tot de energiecentrale voor rekening van GSO.
De gemeente heeft op 8 januari 2016 aan Rijnmond Energie over het tijdvak 2016 een aanslag onroerende zaakbelasting en precariobelasting van aanvankelijk tezamen € 391.583,34 opgelegd (hierna: de OZB-aanslag). Dat bedrag is nadien bij definitieve aanslagen verminderd tot € 206.365,45. De OZB-aanslag heeft inmiddels formele rechtskracht.
Bij akte van levering van 22 april 2016 heeft de overdracht van de energiecentrale en het recht van erfpacht aan GSO plaatsgevonden. Deze uitgestelde levering hield verband met mededingingsrechtelijke toestemming die verkregen moest worden voor de overdracht.
In de afrekening van de notaris ter zake van de onder 3.9 bedoelde overdracht is een door GSO te betalen bedrag voor property tax 2016 opgenomen.