Gerechtshof Leeuwarden, 09-09-2004, AR2661, BK 589/03 WOZ
Gerechtshof Leeuwarden, 09-09-2004, AR2661, BK 589/03 WOZ
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 9 september 2004
- Datum publicatie
- 23 september 2004
- ECLI
- ECLI:NL:GHLEE:2004:AR2661
- Zaaknummer
- BK 589/03 WOZ
- Relevante informatie
- Wet waardering onroerende zaken [Tekst geldig vanaf 01-01-2025] art. 19
Inhoudsindicatie
In geschil is het antwoord op de vraag of de onder 1.2. genoemde waardebeschikking terecht is vastgesteld.
Uitspraak
BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK
BK-03/00589 9 september 2004
Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, eerste enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van
X te Z (: de belanghebbende)
tegen de uitspraak van
het Hoofd Belastingen en Financiële Administratie van de gemeente Smallingerland (: de ambtenaar)
gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de aan hem uitgereikte waardebeschikking d.d. 15 februari 2003 van nagenoemde onroerende zaak.
1. De procesgang
1.1 In het kader van de Wet waardering onroerende zaken (: de Wet) heeft de ambtenaar de waarde van de onroerende zaak a-straat 20 te Z (: de onroerende zaak) bij waardebeschikking d.d. 2 maart 2002 per waardepeildatum 1 januari 1999, geldend voor het tijdvak van 1 januari 2001 tot 1 januari 2005, ingangsdatum 1 januari 2002, vastgesteld op € 211.000,--.
1.2. Bij waardebeschikking van 15 februari 2003 heeft de ambtenaar de waarde met ingangsdatum 1 januari 2003 nader vastgesteld op
€ 252.000,--.
1.3. De belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de vaststelling en afgifte van laatstgenoemde beschikking.
1.4. De ambtenaar heeft dit bezwaar bij uitspraak van 28 mei 2003 ongegrond verklaard.
1.5. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende bij beroepschrift van 4juli 2003, bij het hof binnengekomen op 9 juli 2003, beroep ingesteld.
1.6. Het verweerschrift van de ambtenaar is op 12 november 2003 door het hof ontvangen.
1.7. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op de zitting
van 17 juni 2004 te Leeuwarden, alwaar zijn verschenen de belanghebbende alsmede de gemachtigden van de ambtenaar.
1.8. Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.
2. Het geschil en de standpunten van partijen.
2.1. In geschil is het antwoord op de vraag of de onder 1.2. genoemde waardebeschikking terecht is vastgesteld.
2.2. De belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de ambtenaar bevestigend.
2.3. Voor een meer uitvoerige uiteenzetting van de standpunten van partijen verwijst het hof naar de gedingstukken.
Partijen hebben daaraan ter zitting geen nadere gronden aangevoerd.
3. De overwegingen omtrent het geschil.
3.1. De belanghebbende heeft aangevoerd dat de onroerende zaak op 1 januari 2002 voor 100 % gereed was.
3.2. Volgens de ambtenaar was de woning op 1 januari 2002 voor 75 % gereed. De gemachtigde verklaart dat op 20 december 2001 een collega heeft geconstateerd dat de woning nog niet gereed was en dat ten bewijze daarvan een van de buitenkant gemaakte foto aantoont dat de bestrating nog niet gereed was.
3.3. De foto wordt getoond en bij nadere beschouwing is de gemachtigde het met belanghebbende eens dat volgens de foto de bestrating gereed was. Tevens verklaart de gemachtigde dat hij inziet dat een waardeverschil van 25 % wel erg hoog is.
3.4. Blijkens een brief van A d.d. 30 november 2001 is de betreffende onroerende zaak op 7 december 2001 opgeleverd.
3.5. Gelet op de inhoud van die brief in combinatie met het verweer van de ambtenaar, is aannemelijk dat de woning van belanghebbende op 1 januari 2002 voor 100 % gereed was.
3.6. Derhalve had de ambtenaar niet op grond van artikel 19, lid 2, van de Wet een nadere waarde beschikking mogen geven.
3.7. Het beroep is gelet op het voorgaande gegrond.
5. De proceskosten.
Het gerechtshof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
6. De beslissing.
Het hof:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de uitspraak waarvan beroep;
vernietigt de waardebeschikking d.d. 15 februari 2003;
gelast de gemeente Smallingerland het door belanghebbende betaalde griffierecht ten bedrage van € 31,-- aan hem te vergoeden.
Gedaan door Prof. mr Aardema , vice-president, voorzitter, lid van de eerste enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van de heer Haarsma als griffier en in het openbaar uitgesproken te Leeuwarden op 9 september 2004, door de voorzitter in tegenwoordigheid van de griffier.
De griffier, De voorzitter,
M. Haarsma Prof. mr E. Aardema
Op 22 september 2004 afschrift
aangetekend verzonden aan beide partijen.