Home

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 24-08-2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:3762, 20-002765-14

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 24-08-2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:3762, 20-002765-14

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24 augustus 2016
Datum publicatie
24 augustus 2016
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2016:3762
Zaaknummer
20-002765-14
Relevante informatie
Wetboek van Strafrecht [Tekst geldig vanaf 15-05-2025 tot 01-07-2025], Wetboek van Strafrecht [Tekst geldig vanaf 15-05-2025 tot 01-07-2025] art. 23

Inhoudsindicatie

Hof veroordeelt verdachte ter zake van overtredingen van de Waterwet en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht tot een geldboete van € 10.000 waarvan € 5.000 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-002765-14

Uitspraak : 24 augustus 2016

TEGENSPRAAK

Arrest van de economische kamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische kamer van de rechtbank Oost-Brabant van 9 september 2014 in de strafzaak met parketnummer 01-997019-13 tegen:

[verdachte] ,

statutair gevestigd te [vestigingsplaats] , [adres] .

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De vordering van de advocaat-generaal houdt in dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen, behoudens ten aanzien van de opgelegde straffen en te dien aanzien opnieuw rechtdoende de verdachte zal veroordelen tot een geldboete ter hoogte van € 10.000,00 waarvan € 5.000,00 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De verdediging heeft bepleit dat verdachte:

-

integraal zal worden vrijgesproken van het haar onder 1., 3. en 4. ten laste gelegde.

-

partieel zal worden vrijgesproken van het haar onder 2. ten laste gelegde.

Voorts heeft de verdediging een strafmaatverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.zij op of omstreeks 8 en/of 11 februari 2013, te Zeeland, gemeente Landerd, al dan niet opzettelijk stoffen, te weten mest, althans met mest verontreinigd water, heeft gebracht in de Hooge Raam, zijnde een oppervlaktewaterlichaam, terwijl:

-

een daartoe strekkende vergunning niet was verleend door Onze Minister dan wel het bestuur van het betrokken waterschap en

-

daarvoor geen vrijstelling was verleend bij of krachtens algemene maatregel van bestuur en

-

artikel 6.3 van de Waterwet niet van toepassing was;

2.zij in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 27 februari 2013, in de gemeente Landerd, al dan niet opzettelijk, zonder omgevingsvergunning een project heeft uitgevoerd, dat geheel of gedeeltelijk bestond uit het veranderen van een inrichting en/of veranderen van de werking van een inrichting en/of het – na veranderingen te hebben aangebracht of de werking te hebben veranderd – in werking hebben van die inrichting ten aanzien van die veranderingen en/of die veranderde werking, zijnde genoemde inrichting een inrichting als bedoeld in Onderdeel C, categorie 8 van bijlage I van het Besluit omgevingsrecht, in elk geval als bedoeld in bijlage I van het Besluit omgevingsrecht, die was gelegen aan de [adres] te Zeeland, bestaande die veranderingen en/of die veranderde werking uit

-

het houden van gemiddeld ongeveer 2.384 vleesvarkens, in elk geval meer dan de toegestane 1.476 vleesvarkens en/of

-

het in gebruik nemen van een bergruimte voor het houden van varkens en/of

-

het in gebruik nemen van een wasplaats tussen de tweede en derde stal als varkensuitloop en/of

-

het verplaatsen van de vaste mestopslag;

3.zij op of omstreeks 27 februari 2013, in de gemeente Landerd, al dan niet opzettelijk, heeft gehandeld in strijd met een of meer voorschrift(en) van de omgevingsvergunning van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Landerd d.d. 26 juli 2006, welk(e) voorschrift(en) betrekking had(den) op activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, te weten het oprichten, veranderen of veranderen van de werking en/of het in werking hebben van een inrichting, gevestigd [adres] te Zeeland, immers was/waren in strijd met voorschrift 1.1.3 van genoemde vergunning,

-

gelet op voorschrift 1.3.1 van de vergunning van 27 juli 2004, de inrichting, ten aanzien van een of meer buitenuitlopen, niet voldoende schoon gehouden en/of

-

gelet op voorschrift 7.1.5 van de vergunning van 27 juli 2004, een of meer mestputten niet deugdelijk afgesloten;

4.

zij in of omstreeks de periode van 8 april tot en met 23 juli 2013, althans op of omstreeks 8 april, 8 mei, 6 juni en/of 23 juli 2013, in de gemeente Landerd, al dan niet opzettelijk, meermalen, althans eenmaal, heeft gehandeld in strijd met een of meer voorschrift(en) van de omgevingsvergunning van het college van burgemeester en wethouders van die gemeente, d.d. 19 mei 2011, welk(e) voorschrift(en) betrekking had(den) op activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, te weten het oprichten, veranderen of veranderen van de werking en/of het in werking hebben van een inrichting, gevestigd [adres] te Zeeland, immers was, in strijd met voorschrift 1.1.1, de inrichting, ten aanzien van een of meer buitenuitlo(o)p(en) (telkens) niet schoon gehouden.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1., 2., 3. en 4. ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.zij op 11 februari 2013, te Zeeland, gemeente Landerd, opzettelijk stoffen, te weten mest, heeft gebracht in de Hooge Raam, zijnde een oppervlaktewaterlichaam, terwijl:

-

een daartoe strekkende vergunning niet was verleend door Onze Minister dan wel het bestuur van het betrokken waterschap en

-

daarvoor geen vrijstelling was verleend bij of krachtens algemene maatregel van bestuur en

-

artikel 6.3 van de Waterwet niet van toepassing was;

2.zij in de periode van 1 januari 2013 tot en met 27 februari 2013, in de gemeente Landerd, opzettelijk zonder omgevingsvergunning een project heeft uitgevoerd dat geheel of gedeeltelijk bestond uit het veranderen van een inrichting of het veranderen van de werking van een inrichting en het – na veranderingen te hebben aangebracht of de werking te hebben veranderd – in werking hebben van die inrichting ten aanzien van die veranderingen of die veranderde werking, zijnde genoemde inrichting een inrichting als bedoeld in Onderdeel C, categorie 8 van bijlage I van het Besluit omgevingsrecht, die was gelegen aan de [adres] te Zeeland, bestaande die veranderingen en die veranderde werking uit

-

het houden van gemiddeld ongeveer 2.384 vleesvarkens en

-

het in gebruik nemen van een bergruimte voor het houden van varkens en

-

het in gebruik nemen van een wasplaats tussen de tweede en derde stal als varkensuitloop en

-

het verplaatsen van de vaste mestopslag;

3.zij op 27 februari 2013, in de gemeente Landerd, opzettelijk heeft gehandeld in strijd met een voorschrift van de omgevingsvergunning van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Landerd d.d. 26 juli 2006, welk voorschrift betrekking had op activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, te weten het in werking hebben van een inrichting, gevestigd [adres] te Zeeland, immers was in strijd met voorschrift 1.1.3 van genoemde vergunning,

-

gelet op voorschrift 1.3.1 van de vergunning van 27 juli 2004, de inrichting, ten aanzien van een of meer buitenuitlopen, niet voldoende schoon gehouden en

-

gelet op voorschrift 7.1.5 van de vergunning van 27 juli 2004, een of meer mestputten niet deugdelijk afgesloten;

4.

zij in de periode van 8 april tot en met 23 juli 2013 in de gemeente Landerd opzettelijk meermalen heeft gehandeld in strijd met een voorschrift van de omgevingsvergunning van het college van burgemeester en wethouders van die gemeente, d.d. 19 mei 2011, welk voorschrift betrekking had op activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, te weten het in werking hebben van een inrichting, gevestigd [adres] te Zeeland, immers was, in strijd met voorschrift 1.1.1, de inrichting ten aanzien van een of meer buitenuitlo(o)p(en) telkens niet schoon gehouden.

Partiële vrijspraak

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken. Daartoe overweegt het hof ten aanzien van het onder 1. ten laste gelegde in het bijzonder dat het voorhanden bewijs ervoor tekort schiet dat verdachte op 8 februari 2013 mest in de Hooge Raam heeft gebracht.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

A.

B.1 Ten aanzien van feit 1

B.2

B.3

B.4

C.1 Ten aanzien van feit 2

C.2

C.3

C.4

C.5

C.6

C.7

D.1 Ten aanzien van de feiten 3. en 4.

D.2

E.1

E.2

E.3

E.4

BESLISSING