Home

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 26-04-2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:1823, 16/03923

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 26-04-2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:1823, 16/03923

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26 april 2018
Datum publicatie
18 juli 2018
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2018:1823
Formele relaties
Zaaknummer
16/03923
Relevante informatie
Algemene wet bestuursrecht [Tekst geldig vanaf 04-04-2025 tot 01-07-2025] art. 8:88

Inhoudsindicatie

WOZ-waarde van een melkveebedrijf met bedrijfswoning.

1. Is sprake van een onjuiste objectafbakening?

2. Is de door de Rechtbank per 1 januari 2014 vastgestelde WOZ-waarde van € 453.000 te hoog?

3. Heeft belanghebbende recht op schadevergoeding als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb?

Het Hof beantwoordt deze vragen ontkennend, maar constateert wel dat de Rechtbank geen beslissing heeft genomen op het door belanghebbende gedane verzoek zijn verletkosten voor het bijwonen van de zittingen bij de Rechtbank te vergoeden. Derhalve is het hoger beroep toch gegrond en kent het Hof een proceskostenvergoeding toe in beroep en hoger beroep.

Uitspraak

Team belastingrecht

Meervoudige

Belastingkamer

Kenmerk: 16/03923

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant (hierna: de Rechtbank) van 31 oktober 2016, nummer SHE 15/6649, in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Oost-Brabant,

hierna: de Heffingsambtenaar,

betreffende de hierna vermelde beschikking en aanslag.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Bij beschikking van 31 mei 2015, vervat in een op dezelfde datum gedagtekend aanslagbiljet, heeft de Heffingsambtenaar op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres 1] 21 te [woonplaats] (hierna: de onroerende zaak), per waardepeildatum 1 januari 2014, voor het tijdvak 1 januari 2015 tot en met 31 december 2015, vastgesteld op € 510.000. In dit geschrift is tevens de aanslag onroerende-zaakbelasting voor het kalenderjaar 2015 bekendgemaakt (hierna: de aanslag OZB).

1.2.

Na daartegen op 31 mei 2015 door belanghebbende gemaakt bezwaar heeft de Heffingsambtenaar bij in één geschrift vervatte uitspraken van 29 oktober 2015 het bezwaar gegrond verklaard en de waarde van de onroerende zaak verminderd naar een bedrag van € 497.000 en de aanslag dienovereenkomstig verminderd.

1.3.

Tegen de uitspraken op bezwaar is op 4 december 2015 beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 45.

De Rechtbank heeft het beroep bij op 3 november 2016 verzonden uitspraak gegrond verklaard, de bestreden uitspraken vernietigd, de waarde van de onroerende zaak verminderd naar een bedrag van € 453.000, de daarop gebaseerde aanslag OZB dienovereenkomstig verminderd en de Heffingsambtenaar opgedragen het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 45 aan hem te vergoeden.

1.4.

Tegen deze uitspraak is op 14 december 2016 hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 124. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft belanghebbende vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 24 januari 2018 te ’s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede, namens de Heffingsambtenaar, [A] , bijgestaan door [B] (taxateur).

1.7.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.8.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1.

Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak. Het betreft een melkveebedrijf met een bedrijfswoning, gelegen in het centrum van [woonplaats] . De onroerende zaak bestaat meer specifiek uit een vrijstaande woning met drie dakkapellen (bouwjaar 1979, inhoud ongeveer 749 m3), voorraadkelder (ongeveer 29 m3), garage (28 m2) en een bedrijfsgedeelte. Dit bedrijfsgedeelte bestaat onder meer uit:

-

bestrating / (erf)verharding / wegen (1960), 750 m2,

-

een plaat / sleufsilo (1980), 428 m2,

-

een plaat / sleufsilo (1980), 140 m2,

-

een ligboxenstal laag type (metalen wanden, 1971), 600 m2,

-

een ligboxenstal laag type (stenen wanden, 1987), 400 m2,

-

een melkstal (metalen wand, 2009), 165 m2,

-

een jongveestal (stenen wanden, 1967) 252 m2,

-

een traditioneel bedrijfsgebouw aan de woning (1900), 175 m2,

-

een mestkelder (betonnen wanden, 1971), 700 m3,

-

een mestkelder (betonnen wanden, 1987), 290 m3, en

-

een werktuigenberging / wagenloods (open, 1983), 396 m2.

Bij de bedrijfswoning is een perceel van 850 m2 in de waardebepaling betrokken en bij de niet-woning een perceel van 5.900 m2.

2.2.

Bij zijn verweerschrift in eerste aanleg heeft de Heffingsambtenaar een taxatierapport overgelegd van 10 juni 2016, opgemaakt door [C] , Register Taxateur. In dit taxatierapport taxeert [C] de onroerende zaak op de waardepeildatum 1 januari 2014 - na een inpandige opname op 2 juni 2016 - op een waarde in het economische verkeer van € 453.000. In dit taxatierapport specificeert [C] deze waarde als volgt:

Gebouwdeel

Bouwjaar

Kwaliteit

m2

m3

Prijs €

Waarde €

Woning

1979

3

749

301

225.449

Dakkapel (3)

1979

3

1.500

4.500

Voorraadkelder

1979

3

29

150

4.350

Garage

1979

3

28

339

9.492

Grond bij woning

850

78

66.053

Grond bij niet-woning

5.900

16

94.459

bestrating / (erf)verharding / wegen

1960

1

750

5

3.750

Plaat-/sleufsilo

1980

1

428

5

2.140

Plaat-/sleufsilo

1980

1

140

5

700

Ligboxenstal

1971

2

600

37

22.308

Ligboxenstal

1987

2

400

117

46.800

Melkstal

2009

3

165

286

47.190

Jongveestal

1967

1

252

5

1.260

Bedrijfsgebouw

1900

1

175

0

1

Mestkelder

1971

2

700

12

8.344

Mestkelder

1987

2

290

25

7.267

werktuigenberging / wagenloods

1983

2

396

39

15.471

Asbestopruiming 1967

1967

608

-10

-6.050

Asbestopruiming

1971

720

-10

-7.164

Asbestopruiming

1987

480

-9

-4.474

Asbestopruiming

1983

475

-10

-4.518

Asbestopruiming

1900

70

-12

-836

Sloopkosten

-17.500

-17.500

Overige waardecorrectie (-)

-50.000

-50.000

Overige waardecorrectie (-)

-15.000

-15.000

Totaal

453.992

Totaal (afgerond)

453.000

WOZ-waarde

453.000

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

  1. Is sprake van een onjuiste objectafbakening?

  2. Is de door de Rechtbank voor de onroerende zaak per waardepeildatum 1 januari 2014 vastgestelde WOZ-waarde van € 453.000 te hoog?

  3. Heeft belanghebbende recht op schadevergoeding als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb ten aanzien van de wettelijke rente over het gehele bedrag van de gecombineerde aanslag, over de periode van 28 oktober 2015 (datum uitspraak op bezwaar) tot de datum dat het besluit onherroepelijk is vernietigd?

Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend. De Heffingsambtenaar is de tegenovergestelde mening toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3.

Belanghebbende concludeert in hoger beroep - naar het Hof begrijpt – primair tot vernietiging van de uitspraken op bezwaar, de WOZ-beschikking en de aanslag OZB en subsidiair tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraken op bezwaar, tot het vaststellen van de waarde van de onroerende zaak per waardepeildatum 1 januari 2014 op € 190.000. Zowel primair als subsidiair concludeert belanghebbende bovendien tot het toekennen van verletkosten van een bedrag van € 200 voor het beroep bij de Rechtbank, een vergoeding van proceskosten van € 300 voor het hoger beroep bij het Hof en een schadevergoeding van een nader te bepalen bedrag aan wettelijke rente wegens de door de Heffingsambtenaar onrechtmatig genomen uitspraken op bezwaar van 29 oktober 2015. De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

5 Beslissing