Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 02-05-2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:1650, 200.241.267_01 en 200.241.274_01
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 02-05-2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:1650, 200.241.267_01 en 200.241.274_01
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 2 mei 2019
- Datum publicatie
- 6 mei 2019
- ECLI
- ECLI:NL:GHSHE:2019:1650
- Zaaknummer
- 200.241.267_01 en 200.241.274_01
Inhoudsindicatie
Partneralimentatie. Grievend gedrag. Beëindiging partneralimentatie. Verdeling. Waardebepaling auto.
Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
zaaknummers : 200.241.267/01 (partneralimentatie) en 200.241.274/01 (verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap)
zaaknummer rechtbank : C/01/321949 / FA RK 17-2846
beschikking van de meervoudige kamer van 2 mei 2019
in de zaak in hoger beroep van:
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. S.M.E. van Dijsseldonk te Eindhoven,
tegen
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. J. el Hannouche te Utrecht.
1 Het verloop van het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 23 maart 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
2 Het geding in hoger beroep
De vrouw is op 21 juni 2018 in hoger beroep gekomen van voornoemde beschikking van 23 maart 2018.
De man heeft op 9 augustus 2018 een verweerschrift ingediend.
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
- het procesdossier van de eerste aanleg, ingekomen ter griffie op 27 juni 2018;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 19 februari 2018, ingekomen ter griffie op 8 augustus 2018;
- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 11 september 2018 met bijlagen, ingekomen ter griffie op 12 september 2018;
- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 7 maart 2019 met bijlagen, ingekomen ter griffie op 7 maart 2019;
- een journaalbericht van de zijde van de man van 9 maart 2019 met bijlagen, ingekomen ter griffie op 12 maart 2019.
De mondelinge behandeling heeft op 19 maart 2019 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.
Na de mondelinge behandeling in hoger beroep is op verzoek van het hof ingekomen per faxbericht d.d. 19 maart 2019 met bijlage, de jaaropgave 2018 van de man.
Het hof heeft partijen na afloop van de mondelinge behandeling in hoger beroep in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken, derhalve uiterlijk 2 april 2019, het hof te berichten of zij alsnog overeenstemming hebben bereikt over hetgeen hen in hoger beroep verdeeld houdt.
Bij journaalbericht van de zijde van de man van 1 april 2019 met bijlage, ingekomen ter griffie op 1 april 2019, heeft de man het hof bericht dat het partijen niet is gelukt om een regeling te treffen.
De man heeft als bijlage bij voornoemd journaalbericht een brief van het Openbaar Ministerie overgelegd.
De vrouw heeft met de overlegging van deze brief ingestemd.
In voornoemde brief van het Openbaar Ministerie wordt aan de man medegedeeld dat hij niet (verder) wordt vervolgd omdat er onvoldoende bewijs is.
De man ziet vanwege deze sepotbrief geen reden meer om met de vrouw te onderhandelen.
Bij journaalbericht van de zijde van de vrouw van 1 april 2019, ingekomen ter griffie op 1 april 2019, heeft de vrouw het hof medegedeeld dat het partijen niet gelukt is om een regeling te treffen.
Bij journaalbericht van de zijde van de vrouw van 3 april 2019 met bijlage, ingekomen ter griffie op 3 april 2019, heeft de vrouw gereageerd op de door de man overgelegde sepotbrief. Deze brief toont volgens de vrouw enkel aan dat er blijkbaar geen bewijs is gevonden om tot vervolging van de man over te kunnen gaan. De brief toont niet aan dat de vrouw zich jegens de man grievend heeft gedragen.
3 De feiten
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.
Partijen zijn de ouders van:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] (hierna: [minderjarige 1] );
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] (hierna: [minderjarige 2] ), (hierna ook: de kinderen).
Bij beschikking van 15 mei 2017 betreffende de vaststelling van voorlopige voorzieningen heeft de rechtbank met ingang van die datum de door de man voorlopig te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (hierna ook: kinderalimentatie) bepaald op een bedrag van € 331,50 per kind per maand en de door de man te betalen partneralimentatie bepaald op een bedrag van € 244,- bruto per maand.