Home

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 23-05-2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:1902, 200.256.114_01

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 23-05-2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:1902, 200.256.114_01

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23 mei 2019
Datum publicatie
23 mei 2019
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2019:1902
Formele relaties
Zaaknummer
200.256.114_01
Relevante informatie
Faillissementswet [Tekst geldig vanaf 01-01-2025 tot 15-11-2025] art. 18, Burgerlijk Wetboek Boek 2 [Tekst geldig vanaf 01-01-2025 tot 15-11-2025] art. 248

Inhoudsindicatie

Art. 18 Fw (hoger beroep bevel opheffing)/Criterium van art. 18 Fw/Bewijsvermoeden ex 2:248 BW leidt niet tot enige actie van de (voormalige en huidige) curator. Schuldeisers komen daartegen in het verweer. Patstelling tussen curator en schuldeisers. Realisatie van eventuele baten onvoldoende gebleken. Onbetaalde boedelschulden en geen vooruitzicht vergoeding hiervan. Afwijzing hoger beroep en bekrachtiging opheffing.

Uitspraak

Team Handelsrecht

Uitspraak : 23 mei 2019

Zaaknummer : 200.256.114/01

Zaaknummer eerste aanleg : C/04/12/240 F

in de zaak in hoger beroep van:

1 [de vennootschap 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

wonende te [woonplaats] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellanten,

hierna in gezamenlijkheid te noemen: [appellante 1] c.s., dan wel individueel [appellante 1] respectievelijk [appellant 2] respectievelijk [appellante 3] ;

advocaten: mr. M.N. van Dam en mr. G.C. Berkhout te Amsterdam,

tegen

Mr. [curator], in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [de vennootschap 3],

verweerder,

hierna te noemen: de curator,

advocaat: mr. J.P. Bakkers te Venlo,

Belanghebbende:

de heer [belanghebbende],

advocaat: mr. R.L.H. Boas te Roosendaal

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 5 maart 2019, waarbij het faillissement van [de vennootschap 3] , hierna te noemen gefailleerde, is opgeheven en het salaris van de curator is vastgesteld.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op (allereerst) 13 maart 2019, hebben [appellante 1] c.s. het hof verzocht voormelde beschikking te vernietigen en te bepalen dat het faillissement van gefailleerde voortduurt, zodat de curator namens gefailleerde schadevergoedingsvorderingen tegen [belanghebbende] en eventuele andere partijen kan instellen.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 26 april 2019, heeft de curator namens gefailleerde primair verzocht het verzoek van [appellante 1] c.s. niet-ontvankelijk te verklaren wegens termijnoverschrijding en subsidiair het verzoek af te wijzen, met veroordeling van [appellante 1] c.s. in de kosten van het hoger beroep, te vermeerderen met wettelijke rente over deze kosten vanaf twee dagen na betekening van het arrest.

2.3.

[belanghebbende] (hierna: [belanghebbende] ) heeft zich bij het hof gemeld door middel van de indiening van een verweerschrift, ingekomen ter griffie op 23 april 2019. [belanghebbende] verzoekt het hof in het verweerschrift primair om [appellante 1] c.s. niet-ontvankelijk te verklaren wegens overschrijding van de termijn, subsidiair [appellante 1] c.s. niet-ontvankelijk te verklaren omdat de rechtsgang niet openstaat voor de door [appellante 1] c.s. aangevoerde gronden, en meer subsidiair om het verzoek van [appellante 1] c.s. af te wijzen, en daarmee de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 mei 2019. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de heer [directeur 1] , directeur van [appellante 1] ;

- de heer [directeur 2] , directeur van [appellante 3] ;

- mrs. Van Dam en Berkhout, advocaten van [appellante 1] c.s.;

- de curator;

- mr. Bakkers, advocaat van de curator;

- mr. R.L.H. Boas, advocaat van [belanghebbende] .

2.5.

Het hof heeft voorts nog kennis genomen van:

- een brief van mr. Boas aan het hof d.d. 24 april 2019 (reactie op de vraag van het hof namens wie mr. Boas optreedt);

- een brief van mr. Boas d.d. 2 mei 2019 met als bijlage een beter leesbare versie van productie 5:

- nadere stukken (producties 18-22) van mr. Van Dam, ingekomen bij brief van 3 mei 2019;

- de door mr. Van Dam ter zitting in hoger beroep overgelegde en voorgehouden pleitnota.

3 De beoordeling

4 De uitspraak