Home

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 31-10-2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:4022, 200.246.806_01

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 31-10-2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:4022, 200.246.806_01

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
31 oktober 2019
Datum publicatie
8 november 2019
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2019:4022
Formele relaties
Zaaknummer
200.246.806_01

Inhoudsindicatie

vaststellingsovereenkomst betreffende afkoop partneralimentatie

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugd recht

zaaknummer : 200.246.806/01

zaaknummer rechtbank : C/01/322072 / FA RK 17-2906

beschikking van de meervoudige kamer van 31 oktober 2019

inzake

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. T.J. Kreeftenberg te Eindhoven,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. L.H.M. Zonnenberg te 's-Hertogenbosch.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 28 juni 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

De vrouw is op 27 september 2018 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 28 juni 2018.

2.2.

De man heeft op 12 november 2018 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.

2.3.

De vrouw heeft op 2 januari 2019 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.

2.4.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg van 16 april 2018;

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 13 juni 2019 met bijlagen, ingekomen op 14 juni 2019;

- een journaalbericht van de zijde van de man van 14 juni 2019 met bijlagen, ingekomen op 14 juni 2019.

2.5.

De mondelinge behandeling heeft op 25 juni 2019 plaatsgevonden. Verschenen zijn de vrouw, bijgestaan door mr. Kreeftenberg en de man, bijgestaan door mr. Zonnenberg (deze laatste vergezeld door zijn kantoorgenote mr. R.A.M. Verlysdonk).

2.6.

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft de vrouw Pleitnotities overgelegd. De man heeft Pleitaantekeningen overgelegd.

3 De feiten

3.1.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2.

Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad die feitelijk medio 2007 is verbroken. De man heeft op 28 april 2008 de tussen partijen geldende samenlevingsovereenkomst tegen 25 mei 2008 opgezegd.

In artikel 12 van de samenlevingsovereenkomst verklaren partijen, indien die overeenkomst eindigt anders dan door overlijden van een van partijen, mede in verband met de op ieder rustende verzorgingsverplichting, de bevoegde rechter te adiëren om hem te laten vaststellen of een van de partijen in aanmerking dient te komen voor een alimentatie, een en ander zoals van toepassing zou zijn geweest indien partijen in wettelijke gemeenschap van goederen waren gehuwd.

3.3.

Partijen zijn de ouders van:

- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] ;

- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] .

De man heeft de kinderen erkend.

3.4.

Bij beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 13 januari 2009 is bepaald dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (hierna ook: kinderalimentatie) een bedrag van € 575,- per maand per kind dient te voldoen met ingang van 1 september 2008. Voorts is bepaald dat de man gehouden is aan de vrouw een bedrag van € 275.000,- bruto te voldoen ter zake afkoop van de partneralimentatie door middel van afstorting bij een door de vrouw af te sluiten lijfrentepolis dan wel stamrecht

In die beschikking heeft de rechtbank, verkort weergegeven, vastgesteld dat bij vonnis van 17 oktober 2008 de rechter in kort geding heeft bepaald dat sprake is van een rechtsgeldige vaststellingsovereenkomst tussen partijen ter zake de door de man te betalen kinderalimentatie en de afkoop van de partneralimentatie. De rechtbank is ten aanzien van de totstandkoming van deze overeenkomst niet gebleken van nieuwe feiten en omstandigheden die thans tot een ander oordeel zouden moeten leiden en de rechtbank is verder van oordeel dat het beroep van de vrouw op de door haar aangedragen wilsgebreken, faalt. In die beschikking heeft de rechtbank voorts overwogen dat partijen een niet-wijzigingsbeding zijn overeengekomen en dat er geen sprake is van een zodanig ingrijpende wijziging van omstandigheden dat de vrouw naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het niet-wijzigingsbeding kan worden gehouden. De rechtbank heeft de tussen partijen overeengekomen kinderalimentatie en afkoop van de partneralimentatie in het dictum bepaald zoals hierboven is weergegeven.

4 De omvang van het geschil

5 De motivering van de beslissing

6 Overige beslissingen

7 De beslissing